Kamer: relatie met Suriname moet geleidelijk intensiever

DEN HAAG, 18 april - Op het moment dat zowel in de Surinaamse verkiezingscampagne als binnen de Surinaamse gemeenschap in Nederland het debat over een nieuwe, strak aangehaalde band met Nederland in de vorm van een Gemenebest-relatie op gang komt, geven een aantal ministers en buitenlandspecialisten in de Tweede Kamer de voorkeur aan een pas op de plaats.

Pas na de verkiezingen op 25 mei zou uit Suriname het verzoek moeten komen om de relatie met Nederland te herzien. Dat zou het moment zijn om meer details over de Nederlandse voorstellen voor een soort Gemenebest-relatie bekend te maken, menen zij. Premier Lubbers en de ministers Van den Broek, Hirsch Ballin en Pronk vinden dat meer haast geboden is. De Verenigde Staten, Venezuela en Frankrijk wijzen Nederland bij herhaling op de speciale verplichtingen die Nederland ten opzichte van Suriname heeft.

Afgelopen weekeind bleek op het congres “Van wingewest tot gemenebest” in Utrecht dat volgens een telefonische enquete tachtig procent van de in Nederland levende Surinamers zich achter het plan van premier Lubbers stelt om Suriname te assisteren bij een krachtig monetair en financieel beleid. Volgens dat plan zou ook Nederlandse expertise benut moeten worden om de rechtsgang in Suriname te bevorderen, zodat ook de drugshandel beter kan worden aangepakt. Op de Nederlandse markt duikt steeds meer cocaine uit Suriname op, op dit moment zestig procent van de totale aanvoer.

Ook op het gebied van buitenlandse en defensiepolitiek zou meer moeten worden samengewerkt, zodat politici een grotere greep krijgen op de Surinaamse legerleding. Ook het personenverkeer tussen de twee landen moet worden vergemakkelijkt. Op 12 februari lekten die plannen uit. Er was geen meerderheid te vinden binnen het kabinet om de voorstellen verder uit te werken. Maar de details die bekend werden kregen zowel in Suriname als in Nederland veel aandacht.

“Nederland heeft de aftrap gedaan, Suriname is nu aan de bal”, zei de oud-minister van ontwikkelingssamenwerking en in het CDA nog steeds zeer invloedrijke J. de Koning, enkele weken geleden op een symposium over de nieuwe relatie met Suriname in Rotterdam. Hij gaf aan dat er nog veel staatsrechtelijke en andere juridische problemen overwonnen moeten worden, maar als Suriname daartoe besluit kan het rekenen op de inzet van Nederland. Volgens De Koning moet het leger weer onder politieke controle komen, de bestuurlijke kwaliteit worden verbeterd en moeten garanties worden gegeven voor een goed werkende rechterlijke macht, voor monetaire sanering en financiele betrouwbaarheid voor investeerders.

Nederland kent verdragsverplichtingen tegenover Suriname. Er is nog 1.6 miljard gulden ontwikkelingshulp in kas. Een derde deel van de Surinaamse bevolking woont in Nederland. Als de banden met Suriname nu worden aangehaald kan Nederland ook nog voordat in 1993 de interne markt tot stand komt, in Brussel erop aandringen dat de EG Suriname meer toegang tot Europa geeft en meer hulp.

Een meerderheid in de Tweede Kamer wil dat Nederland niet eenzijdig te werk gaat, maar geleidelijk tot een nieuwe vorm van samenwerking met Suriname komt. Melkert (PvdA) denkt daarbij aan het instellen van bilaterale commissies die op het gebied van personenverkeer, misdaadbestrijding, buitenlandse politiek, financieel en monetair beleid, afspraken maken en verdragen voorbereiden. Op die manier wordt de wederopbouw van Suriname na een aantal verloren jaren meer een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Aarts (CDA) noemt een Gemenebest-relatie een beladen woord. Hij ziet meer in een aantal associatie-verdragen met Suriname. “Maar terug kunnen we niet meer, daarvoor heeft Nederland zijn nek al te ver uitgestoken. Het is een dure plicht geworden. Een deel van de 1.6 miljard gulden zouden we moeten gebruiken voor de sanering van de economie in Suriname. Maar dan moeten we wel harde garanties krijgen dat er ook werkelijk orde op zaken wordt gesteld.”

Regering en parlement krijgen van een aantal politici uit Suriname het verzoek om de voorstellen toch nog voor de verkiezingen van 25 mei verder uit te werken, zodat het Surinaamse volk zich nu al indirect kan uitspreken. Sommige Surinaamse leiders voelen zich enigszins in de steek gelaten.