Kamer: militaire hulp aan Koerden

DEN HAAG, 18 april - De Tweede Kamer steunt unaniem militaire deelneming van Nederland aan acties van de Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannie om in het noorden van Irak enclaves voor Koerdische vluchtelingen op te zetten.

Die militaire hulp moet Nederland geven ondanks de kans op confrontatie met het Iraakse leger. Die consequentie werd vanmorgen tijdens een debat in de Tweede Kamer geaccepteerd door alle partijen, ook door Groen Links. “Terecht wordt het soevereiniteitsbeginsel opgeheven nu het om humanitaire hulp gaat”, zei Kamerlid mevrouw I.

Brouwer (Groen Links). Minister Van den Broek (buitenlandse zaken) sprak van een “vorm van humanitaire hulp met een militaire rand”. De regering denkt aan het zenden van geneeskundige troepen, genie-eenheden en 'beveiligingseenheden'. Ambtenaren van Buitenlandse Zaken en Defensie overleggen vandaag met elkaar en met de bondgenoten over de concrete invulling van de Nederlandse bijdrage, waar de Amerikanen gisteren officieel om hebben verzocht. Morgen, na het wekelijkse kabinetsberaad, zal de regering de vorm van de Nederlandse bijdrage bekendmaken.

De Tweede Kamer is zich goed van de risico's bewust. PvdA-woordvoerder Melkert zei dat er sprake is van “humanitaire interventie”. “Dat blijft een interventie.” Hij wilde echter het “risico van een confrontatie” niet uit de weg gaan, want als men daartoe niet bereid is dan is effectieve bescherming van de Koerden onmogelijk. Algemeen vond de Kamer dat de regering en de internationale gemeenschap te traag hebben gereageerd op de Koerdische catastrofe in Irak. Toen Irak Koeweit binnen viel, reageerde de wereld veel sneller. “Dat wekt op zijn minst het begin van een verwijt dat er wel erg veel olie zat in de snelle reactie na de inval in augustus vorig jaar”, zei D66-woordvoerder Kohnstamm.

De Kamer was het met Van den Broek eens dat Veiligheidsraad-resolutie 688 “toereikende juridische basis” biedt voor de nu begonnen interventie in Noord-Irak. Voorwaarde is wel dat de actie in eerste instantie wordt geconcentreerd op humanitaire hulp. “Er blijft een spanningsveld bestaan in deze zaak tussen internationaal recht en de primaire noodzaak tot humanitaire hulp”, zei Kohnstamm. Van den Broek gaf aan dat het besluit een precedent schept dat in de toekomst verplichtingen geeft aan de internationale gemeenschap.