Het zeldzame talent van Leo Kok

“Getekend in Westerbork, leven en werk van Leo Kok 1923 - 1945” is als catalogus te koop bij de tentoonstelling in Leeuwarden (tot 24 juni) en bij enkele boekhandels zomede het Joods Historisch Museum te Amsterdam.

De meeste gezichten lijken een zeker optimisme te weerspiegelen. Ze zien, op bijna een halve eeuw afstand, ons goedmoedig en met vertrouwen in de ogen of ze staren - en profil gezien - naar een punt in de toekomst die hun niet schijnt te verontrusten. Toch zijn zij allen joden in het kamp Westerbork, geportretteerd door een van hun lotgenoten, de jonge tekenaar Leo Kok. In 1942 kwam hij in het Drentse doorgangskamp. In 1945 is hij, 22 jaar oud, in Mauthausen bezweken aan uitputting, een week na de bevrijding door de Russen.

Welk een zeldzaam talent met hem verloren is gegaan is te zien in het Fries Museum te Leeuwarden. Op 15 april, de Friese bevrijdingsdag, werd daar een tentoonstelling geopend van de ruim 140 tekeningen, die van hem bewaard zijn gebleven.

“Leo was een groot genie”, zegt Werner Lowenhardt, de Amsterdamse antiquaar, wiens tekeningen uit Westerbork onlangs zijn geexposeerd in de Mozes en Aaronkerk in Amsterdam. Ruim twee jaar verbleven Leo en hij in Westerbork, waar beiden onder andere meewerkten aan de roemruchte kamprevues: Leo de decors, Werner de programma's.

“Wat Leo kon, kon niemand”, zegt Lowenhardt nu. “Hij kon iemand van achteren tekenen en dan wist je wie het was. Vreselijk dat zo'n groot talent zo jong is omgekomen.”

Leo Kok, als zoon van een Nederlandse diamantbewerker in 1923 geboren in Antwerpen, was autodidact: een tekenopleiding zat er niet in voor de jongen, die op zijn zestiende al meewerkte op een Antwerps reclame-atelier. In 1940 - bij de Duitse inval in Belgie - vlucht het gezin Kok, de ouders zuidwaarts (ze doken na de oorlog op in Suriname), Leo en zijn broer naar Amsterdam, waar familie woont. Met reclametekeningen en portretten verdient hij zijn geld in Amsterdam.

In 1942 wordt hij opgepakt en, via het werkkamp Geesbrug, naar Westerbork gebracht. Tussen de dwangarbeid - onder andere het helpen gereedmaken van transporten - tekent hij vellen vol, meestal in potlood, maar ook in inkt of aquarel. Hij schetst scenes uit het dagelijkse kampbestaan, zoals het werk in de industriebarakken. Of twee oude heren in winterjassen en met soldatenpetten op, die zilverpapier moeten splitsen. Twee jonge mannen in blauwe overalls staan tegenover elkaar te werken aan een tafel met metaalrommel. Het zijn Johnny en Jones, het populaire zangduo. Een groep strafgevangenen sjokt door de regen achter een arrogant opzij kijkend lid van de Ordedienst met achterstevoren gedragen jas aan.

Leo, knap en energiek, leert in het kamp Kitty de Wijze kennen, verpleegster in de ziekenafdeling. Ze worden verliefd en trouwen in 1943 in het kamp, 19 en 20 jaar oud. Ontroerend mooi zijn de portretten die Leo van haar tekent. Maar ook zijn andere kampgenoten heeft hij met fijnzinnigheid en warmte weergegeven. Er zijn ook nu nog bekende namen onder: Rosa Spier, Chaya Goldstein, professor Meijers, Hans Krieg (joyeus achter de piano) en de revueartiesten Willy Rosen en Erich Ziegler.

Als Kitty en Leo in 1944 op transport worden gesteld naar Theresienstadt weten ze een map met ruim 120 tekeningen in handen te spelen van een 'goede' marechaussee, die ze veilig stelt op een vertrouwd adres in Nijmegen. In Theresienstadt worden Kitty en Leo van elkaar losgescheurd: zij blijft achter als hij wordt doorgestuurd, eerst naar Auschwitz, dan naar Mauthausen.

Kitty overleeft de kampen en hertrouwt later met Harst Nijstad, antiquair en kunsthandelaar in Lochem en Den Haag, later directeur van Christie's. Ook zij kenden elkaar al uit Westerbork. Kitty vond de tekeningen terug in Nijmegen.

De Nijstads kregen een zoon, Jaap. Toen hij opgroeide kreeg hij steeds meer belangstelling voor de tekeningen. Leo, die hij natuurlijk alleen maar als legende kende, was zoiets als een 'eerste vader' voor hem.

Eenmaal kunsthistoricus geworden drong het steeds meer tot hem door, dat het op zijn weg lag om die kleine maar indrukwekkende nalatenschap uit de onbekendheid te halen.

Twee jaar heeft Jaap Nijstad (nu 35) gewerkt aan het reconstrueren van Leo's leven, aan verzamelen van getuigenissen van mensen, die hem gekend hadden, en aan het opsporen van tekeningen, die nog buiten de collectie van zijn moeder waren gebleven. Hij vond ze onder andere in Amerika en Canada, waar nogal wat van de Duitse joden, die Westerbork en de Duitse kampen overleefden, terecht zijn gekomen. Tientallen schetsen en portretten had Leo immers als verjaardagscadeautjes weggegeven en wie dat kon, bewaarde ze ook bij zijn deportatie.

In opdracht van Kitty en Harst Nijstad verscheen bij uitgeverij Balans een catalogus van de tekeningen met de biografie van Leo Kok door Jaap Nijstad. In de (Nederlands- en Engelstalige) bundel vertelt Nijstad in eenvoudige en heldere bewoordingen het verhaal van de zo veelbelovende tekenaar en van zijn eigen wonderlijke betrokkenheid daarbij. Hij voegt daar kleine stukjes persoonlijke reportage aan toe: een paar gespreksflarden met Drentse boeren op de plaats waar het werkkamp Geesbrug is geweest, en een bezoek aan het graf van Leo op het Nederlands ereveld in Salzburg, naast de gesneuvelde Oostenrijkers.

“In het derde blok, rechts, in de eerste rij, vond ik de steen waarvoor ik was gekomen. Ik voelde iets van opluchting, zelfs blijdschap, het gevoel dat ik hem eindelijk had 'thuisgebracht'.”

Met zijn ouders heeft Jaap Nijstad zijn 'eerste vader' inderdaad thuisgebracht waar hij hoort, namelijk bij de top van het Nederlands tekentalent, waar hij zonder twijfel zou hebben geflonkerd als hij was blijven leven. Zijn stijl herinnert aan die van Jo Spier (ook een Westerbork-gevangene) en aan Paul Citroen. Jaap Nijstad is er van overtuigd dat er nog meer werk van Leo Kok bestaat. “Ik hoop dat de publikatie van het boek me op het spoor er van brengt. In een volgende druk zouden we die dan ook kunnen opnemen”

    • Frans van Lier