'Gelijke behandeling' maakt pensioenen erg duur

DEN HAAG, 18 APRIL. Gelijke monniken, gelijke kappen. Een mooi uitgangspunt, ook als het om pensioenen gaat, maar idealen kosten geld. In Nederland zijn in de jaren tachtig diverse verschillen tussen de pensioenregelingen van mannen en vrouwen weggewerkt, maar van gelijkberechtiging is nog steeds geen sprake. Vrouwen hebben vaak minder rechten, waar tegenover staat dat mannen minder keuzemogelijkheden hebben.

Het verschil tussen de pensioenrechten van man en vrouw is in Nederland in de jaren tachtig sterk verkleind. Vrouwen konden vroeger eerder met pensioen gaan (60 in plaats van 65 jaar) maar kenden geen weduwnaarspensioen. In de jaren tachtig werd hen een keuze aangeboden: houden wat je hebt of een nieuwe regeling met een ingangsleeftijd vanaf 65 jaar. Maar het Europese Hof van Justitie ondergraaft nu met zijn Barber-arrest - waarover straks meer - de beargumentering van dit keuze-recht: als je vrouwen laat kiezen mogen mannen dat ook.

Als vrouwen pensioenrechten hebben, zijn ze dus in belangrijke mate gelijkberechtigd. Het echte probleem zit elders. Volgens de meest recente cijfers (voor 1985) viel meer dan een derde van alle werkende vrouwen buiten elke pensioenregeling: in totaal 400.000. Bij de mannen was dat maar tien procent (250.000).

Die 'witte vlek' heeft een discriminatoir karakter omdat zoveel vrouwen in deeltijd werken. Als hun werkgever al een pensioenregeling heeft, worden ze daar niet in opgenomen. Maar vaak is van zo'n regeling helemaal geen sprake, omdat het gaat om een jong bedrijf in de dienstverlenende sector (handel, reinining, uitzendbureaus, etc.) dat er alles aan gelegen is de personeelskosten te drukken.

Maar er is meer. Vrouwen werken vaak minder jaren dan mannen, zodat ze te weinig jaren werken om een pensioen gelijk aan 70 procent van het laatstverdiende loon op te bouwen. Ze wisselen ook vaker van werkgever waardoor ze te maken krijgen met het fenomeen van de pensioenbreuk.

Bovendien keert een deel van de pensioenregelingen voor vrouwen nog altijd geen weduwnaarspensioen uit, terwijl alle regeleingen voor mannen een weduwenpensioen kent.

Als de pensioenrechten van mannen en vrouwen volstrekt gelijk moeten zijn, vergt dat dus dat parttimers niet langer buiten pensioenregelingen vallen, dat de voorzieningen voor nabestaanden gelijk worden getrokken, dat nog bestaande verschillen in pensioenleeftijd worden weggewerkt en ook dat gehuwde vrouwen niet langer worden uitgesloten van deelname aan pensioenregelingen. Het Barber-arrest gooide de knuppel in het hoenderhok. Op 17 mei 1990 stelde het Europese Hof de Britse werknemer Barber in het gelijk toen die eiste dat hij op zijn zestigste met pensioen mocht gaan, in plaats van op zijn vijfenzestigste. Als vrouwen dat recht hadden, waarom een man dan niet? De Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen, waarbij 77 bedrijfstakfondsen en 1,7 miljoen werknemers zijn aangesloten, heeft nu laten uitrekenen wat de gevolgen van dit arrest kunnen zijn. Dit onder de veronderstelling dat ook in Nederland mannen en vrouwen naar de rechter stappen en gelijkberechtiging eisen.

De Vereniging heeft de resultaten, zoals berekend door het bureau Towers Perrin-Smit & Bunschoten, begin deze week in een alarmerende brief naar de regering gestuurd. De grote vraag is hoe ver de terugwerkende kracht van de gelijkberechtiging reikt. Maximaal kan die volgens deskundigen teruggaan tot het zogenoemde Defrenne 2-arrest van 8 april 1976. Maar gelijke behandeling voor alle pensioenaanspraken opgebouwd vanaf die datum betekent volgens het onderzoeksbureau wel dat “de bodem onder het merendeel van de (...) van kracht zijnde pensioenregelingen wordt weggeslagen.” Minimaal worden de (eenmalige) kosten geraamd op 70 miljard gulden, maximaal op 120 miljard.

Nu is deze uitkomst uiterst onwaarschijnlijk. Maar ook gelijke behandeling van alle pensioenen die ingaan vanaf 17 mei 1990 kost handenvol geld: naast een eenmalige financieringslast van 28 miljard gulden zou deze optie leiden tot een jaarlijkse verhoging van de premielast met 2 miljard gulden. Daarbij wordt verondersteld dat de overgangsregelingen, die nu in zwang zijn om het verschil tussen man en vrouw op pensioengebied te overbruggen, worden opgeheven.

Nog minder kost de optie waarbij de gelijke behandeling pas geldt bij het opbouwen van pensioenrechten vanaf 17 mei 1990. Er is dan geen eenmalige financieringslast, maar wel een jaarlijkse extra premielast van 2 miljard gulden (tenzij de overgangsregeling in stand blijft, dan wordt die extra premielast becijferd op 0,4 miljard gulden).

De vrouwenbeweging eist dat de pensioen-achterstand van vrouwen nu eindelijk eens wordt weggewerkt. Maar de pensioenfondsen wijzen op de kosten als zowel mannen als vrouwen voor de beste regelingen kiezen.

Natuurlijk zou een algemene pensioenplicht hier uitkomst kunnen bieden. Maar een voorstel daartoe ligt al sinds 1969 op tafel, en van uitstel komt afstel. Want met een algemene pensioenplicht kunnen werkgevers- en werknemersorganisaties niet langer in CAO-verband onderhandelen over de hoogte van de premies. En die macht geven ze niet graag uit handen.

Ik kan het niet ontkennen. In The Independent van afgelopen zondag valt mijn oog het eerst op een artikel over 'de gouden eeuw van de metaaldetector'. Iemand heeft uitgerekend dat schatgravers en amateur-archeologen in Engeland jaarlijks meer dan twee miljoen archeologische voorwerpen uit de bodem opdiepen. Ik lees het en verheug me al weer op de volgende Treasure Trove.