Eindspel bij Frank emotioneel geladen

Voorstelling: Eindspel van Samuel Beckett door Het Zuidelijk Toneel. Vertaling: Jacoba van Velde; decor: Jan Ros; licht: Reinier Tweebeeke; regie: Leonard Frank; spelers: Bert Andre, Hans Kesting e.a. Gezien 15-4 Stadsschouwburg Amsterdam. Tournee t-m 1-6.

Ik stel me wel eens voor iemand tegen te komen die een afkeer van Beckett heeft. Zo iemand die bij voorbeeld zegt: “Die Beckett, die heeft eigenlijk niks te vertellen. Het is rook en mist.” Niet omdat ik de toneelschrijver graag van zijn voetstuk zie tuimelen, zo'n postume ontluistering is altijd verdacht, maar wel omdat de heiligverklaring van Beckett nog verdachter is. Als argument in de strijd om Beckett te prijzen zou ik het intieme Krapp's laatste band gebruiken, want de spanning daarin tussen heden en verleden is overweldigend. Of Wachten op Godot, hoewel ik het refrein in de tekst van “We wachten op Godot” steeds moeilijker kan verdragen, net zoiets als Tsjechovs Drie zusters die om de haverklap “Moskou!

Moskou!” roepen. Ten slotte zouden we bij Eindspel aankomen. “Wat een cliches!” zou mijn opponent uitroepen. “De ene man is blind en verlamd, de ander kan niet zitten. De ouders van de eerste leven, ook al verlamd, in vuilnisbakken.” Hij zou zelfs de recensent Gomperts kunnen aanhalen die aanvankelijk in 1958 zijn onvrede uitte over Eindspel: “Ook als men Becketts stelling over de waardeloosheid van het leven zou accepteren, dan is zijn stuk nog larmoyant en vervelend.” Ik zou onmiddellijk tegenwerpen dat Gomperts in 1970 zijn mening heeft herzien, hoewel hij ook weer niet volledig bakzeil haalde: “Het probleem van een consequente tragedie die men voor zijn genoegen gaat zien blijft intussen bestaan. - Laat ons zeggen: een paradox.”

Ik zag niet zolang geleden twee uitvoeringen van Eindspel, een in Den Haag en een door De Trust. Opvallend detail in de eerste uitvoering (regie Arda Brokmann) waren de talloze deuren in het decor, alle gesloten, vluchten kon niet. Bij De Trust (regie Guus van Geffen) waren de vuilnisvaten vervangen door aquaria waarin de bejaarde Nagg en Nell als half verdronkenen vertoefden. Een brutale en betekenisvolle variant op de vuilnisbakken.

Regisseur Leonard Frank werpt de “verschillende Beckett-interpretaties die het onvermogen tot communiceren benadrukken verre van zich”, staat in het programma bij Eindspel. En verder: “Er wordt vaak te religieus over Beckett gepraat. - Achter Eindspel schuilt een gedachte die zich laat samenvatten als: zorg ervoor dat het jezelf goed gaat, dan valt alles best mee.”

Gelukkig, eindelijk iemand die ons verlost van het gelamenteer over onvermogen tot communicatie. Schrijvers en regisseurs die dat tot norm verheffen van hun werk, zijn vaak niet de beste. Stamelaars. In het begin van de voorstelling gebeurt veel verrassends. Er zit vaart in de dialoog tussen de blinde Hamm en de ongedurige Clov; het spel dat ze spelen met elkaar houden ze al jaren vol. Het tot hoog in het toneelhuis reikende steriele decor van glanzend blik schittert voor je ogen. Kleine luikjes tonen regen, een segmentje korenveld, de nachthemel. Strijklicht valt zachtgeel en verleidelijk naar binnen.

Hans Kesting (Clov) is een innemende stripfiguur die nadrukkelijk hulpeloos reddert met een trap om naar de zee te kijken (“Niets.”) en naar de aarde (“Niets.”). Maar ergens in de uitvoering gaat het mis, radicaal. Waar de kille, cerebrale speelstijl in de eerste scenes boeit, slaat deze om in psychologische inleving alsof Eindspel een huwelijksdrama is in de trant van Lars Noren.

Hans Kesting, hoe voortreffelijk ook acterend, slaat een woedende toon aan als hij dreigt zijn koffers te gaan pakken, en daar kijk ik van op: waar is dan het zuigende tarten van Clov als weerwoord op de heerszuchtige Hamm (Bart Andre)? Deze laatste acteur is geen goede Beckett-vertolker, heel wat minder thuis in superieure dictie dan bij voorbeeld Julien Schoenaerts in een onlangs opgevoerde intelligente en schitterende Krapp's laatste band. Het verschil is duidelijk: Schoenaerts is doordrenkt van de teksten van Brecht, al spelend werden het de zijne. Hier bij Eindspel zeggen drie van de vier acteurs (behalve Andre ook het duo Nagg en Nell) een uit het hoofd geleerd versje op. Pijnlijk is ook nog dat ze willen verbergen geen affiniteit met Beckett te hebben en daarom vluchten in emotionele inleving.

Welke was nu de interpretatie van Leonard Frank? Zorg voor jezelf? Maar juist de al te uitbundige emotionele lading van de vertolkers is geregisseerd vanuit een heel ander perspectief dan dit egocentrisme.

De bejaarde ouders van Hamm spelen als verongelijkte kinderen, slaand met deksels der vuilnisvaten als met deuren. Resultaat is dat intentie en vorm elkaar op hinderlijke wijze kruisen. Opeens moest ik weer aan mijn gefingeerd twistgesprek over Beckett denken. Welk een doorzichtige beelden in Eindspel, dat had ik nooit eerder gezien. Saai en vervelend. Alleen een hoogstaande vertolking kan er iets moois van maken, anders stort het stuk in als een kaartenhuis.