DSM

'Wanneer een obsessief-compulsieve persoonlijkheid registeraccountant wordt op een ordelijk en degelijk accountantskantoor en hij of zij goed uit de voeten kan met de baas, lopen we de kans dat deze persoonlijkheidsstoornis onopgemerkt blijft', schrijft klinisch psycholoog dr. Jan Derksen in zijn artikel 'Nieuwe catalogus van zielsziekten' (W&O 28 maart).

Was het maar waar! De mogelijke levenspartner van de man of vrouw met deze 'persoonlijkheidsstoornis' zal niet ontsnappen aan zijn of haar 'obsessief-compulsieve' hebbelijkheden en er dagelijks onder lijden.

En hetzelfde geldt voor anderen die in het dagelijks leven informeel met hem of haar te maken hebben.

Derksen levert met zijn voorbeeld een krachtige simplificatie af. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat dit zoete simpele de leidraad is aan de hand waarvan hij zijn propagandapraatje voor de DSM heeft geconstrueerd. Dat hij met name psychologen opwekt met dit handboek in zee te gaan, respectievelijk hun in de schoenen schuift reeds ruimschoots met deze 'bijbel van de psychiatrische classificatie' (zoals hij deze criteriacarrousel noemt) te werken, roept bij mij verbazing en ouderwetse ergernis op.

Hoezeer Derksen ook probeert wat lucht te pompen in de starre systematiek die de DSM van de eerste tot en met de laatste pagina doortrekt (''voor een juister behandeling is veel uitvoeriger diagnostiek noodzakelijk''), hij vertrouwt niettemin in den blinde op het werk en volgt het als een trouwe apostel.

De DSM maakt van de levende mens een poeltje met stilstaand water, ze haalt alle beweging eruit. Dit geldt voor patient zowel als voor DSM-behandelaar. Ik zie hier dan nog maar af van bespreking van het aangetoonde gegeven dat verschillende behandelaars geregeld komen tot verschillend duiden van eenzelfde 'ziektebeeld'.

De DSM is een voorbeeld van onwetenschappelijk produkt-denken: we zien iets in de actualiteit (beter gezegd: menen iets te zien) en plakken er een etiket op. Vervolgens is het bedje gespreid - meer voor de behandelaar dan voor de patient trouwens. De laatste zal het statisch juk van de gehanteerde benaderingswijze maar hebben te dulden.

Zowel behandelaar als patient zouden er baat bij hebben, dat bij de aanpak van de problematiek wordt uitgegaan van proces-denken. Van een dynamische opvatting, die inhoudt dat er sprake kan zijn van een verleden, een heden en een toekomst en van beweging, creativiteit en continuiteit. Niet met het vingertje bij de regels van het handboek, maar met open oor en oog bij de feiten die zich, in bepaalde context, in het leven van een mens voordeden en voordoen. Dat zou het motto kunnen zijn. Het vermogen eclectisch te kunnen werken is het zout in de pap en het cement dat bindt. Het blijkt zeer wel mogelijk aldus tot analyse te komen die tot herkenning bij de patient leidt.

Tenslotte, ik acht het uitermate pretentieus, en het heeft naar mijn mening derhalve gevaarlijke kanten, mensen in hun mentale, sociale en emotionele functioneren te benaderen met een systematiek die niet alleen ten onrechte de indruk wekt vergeleken te kunnen worden met de systematiek die in de somatische geneeskunde wordt gehanteerd, maar die ook tot op grote hoogte, en wederom ten onrechte, als zodanig wordt gezien en gebruikt. De somatische diagnostiek is in het algemeen veel 'harder' en de nomenclatuur veel eenduidiger dan die betreffende de psychiatrie.