DRIE EEUWEN VORMGEVING VAN MUZIEKVERPAKKINGEN IN LONDEN; De aankleding van Purcell en de Sex Pistols

Tentoonstelling: The Art of Selling Songs: Graphics for the Music Business 1690-1990. In: Victoria & Albert Museum, Cromwell Road, SW 7 Londen. Ma t-m za 10-17.50u, zo 14.30-17.50u. Prijs catalogus: (L) 14,50.

“Platenhoezen en inlegvellen worden bewonderd, gelezen en herlezen gedurende de veertig minuten dat de plaat wordt gedraaid. Hoe lang staan mensen voor een olieverfschilderij?” Deze vraag stelt de samensteller van de tentoonstelling The Art of Selling Songs aan de bezoekers in het Victoria & Albert Museum in Londen. Het antwoord is gemakkelijk: als iemand langer dan een minuut voor een schilderij staat, is het lang en dus zouden schilders jaloers moeten zijn op de ontwerpers van platenhoezen. De vergelijking tussen een schilderij in een museum en een platenhoes thuis is natuurlijk niet eerlijk, maar ik denk wel dat zeker jongeren eerder een platenhoes kunnen uittekenen dan een schilderij.

De tentoonstelling The Art Of Selling Songs gaat niet alleen over platenhoezen, maar wil ook een overzicht geven van drie eeuwen vormgeving van muziekverpakkingen, 'de materiele kant van de meest immateriele van alle kunsten'. Dat gebeurt in drie delen. In de eerste vitrines zijn bladmuziek en liedteksten te zien, varierend van een geillumineerde middeleeuwse madrigaal tot een songbook van Ian Dury uit 1979. In het tweede gedeelte van de tentoonstelling wordt al het drukwerk getoond dat heeft te maken met de concertpraktijk: affiches, toegangsbiljetten, programma's, advertenties, strooibiljetten en folders. En tenslotte zijn er de verpakkingen van gestolde muziek uitgestald, van cilindervormige doosjes voor wasrollen uit 1908 via platenhoezen naar de inlegvellen van cd's.

Het hart van de samensteller, Kevin Edge, gaat duidelijk uit naar de popmuziek: gemeten naar het aantal voorwerpen op de tentoonstelling en de aandacht in de catalogus moet dat verreweg de belangrijkste muzieksoort van de laatste drie eeuwen zijn. De verpakkingen van klassieke muziek lijden hieronder: het is moeilijk om het titelblad van het sonatenboek van Henry Purcell uit 1683 de aandacht te geven die het verdient, als verderop de muziek van Jimi Hendrix, The Who, The Sex Pistols, Madonna en The Pixies uit de luidsprekers schalt.

Daar gebeurt het, denk je onwillekeurig, en van rustig kijken komt dan niet meer veel.

Maar de nadruk op de popmuziek is wel terecht, want bij deze muzieksoort met al zijn subtiele onderlinge verschillen luistert de visuele vormgeving nauwer dan bij andere soorten. In een wereld waar een verkeerd kapsel aanleiding is tot verkettering, kan een verkeerde platenhoes rampzalige gevolgen hebben.

De aandacht voor de vormgeving van hoezen ontstond geleidelijk. De platenhoezen van het soulmuzieklabel Motown bij voorbeeld waren begin jaren zestig nog sluitpost van de begroting. Voor meer dan de titels van de nummers in een karakterloos lettertype en, als het meezat, een foto van de uitvoerende artiest was geen plaats. En de bazen van Decca spraken nog midden jaren zestig hun veto uit over de 'te individualistische' hoesontwerpen waarmee The Rolling Stones zelf kwamen. De Decca-bonzen streden een achterhoedegevecht, want de meeste platenmaatschappijen waren toen al overtuigd van het belang van een goede vormgeving van de hoezen voor het imago van de muzikanten.

Vondsten uit de officiele kunst waren hierbij behulpzaam. Een van de mooiste voorbeelden hiervan is nog altijd The Who die zich presenteerde als Pop Art-band. Zo staat gitarist Pete Townshend op de hoes van Sell Out uit 1967 afgebeeld met een enorme deodorantstick onder een van zijn oksels en heeft zanger Roger Daltrey zojuist een groot Heinzblik bonen geleegd boven het bad, waarin hij tot zijn middel zit. Vreemd genoeg ontbreekt die hoes in het Victoria and Albert Museum. Wel hangt er een andere beroemde plaatverpakking van The Who uit 1970, de grappigste hoes van de tentoonstelling. De sobere kartonkleurige hoes, waar alleen het stempel The Who Live At Leeds op staat, bevatte kopieen van documenten die een beeld geven van de geschiedenis van de groep. Zoals een brief van 22 maart 1965 van de directie van de Locarno Ballroom die laat weten dat het geplande concert moet worden afgelast, omdat The Who bij nader inzien niet echt geschikt is voor de danszaal - de groep was berucht wegens het vernielen van de instrumenten en geluidsapparatuur tijdens de concerten.

De beroemdste hoes uit de jaren zestig, die van Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band van The Beatles uit 1967, ontbreekt natuurlijk niet op de tentoonstelling, evenmin als het antwoord van The Rolling Stones daarop, Their Satanic Majesties Request uit hetzelfde jaar die duidelijk de invloed verraadt van de omstreeks 1970 overheersende psychedelische esthetiek. Deze op de Jugendstil geinspireerde hippie-vormgeving is vertegenwoordigd door een serie concertaffiches van Victor Moscoso uit 1970. Het is een heel gepuzzel om uit de onleesbare letters, omgeven door plant- en diervormen in paars-geel-blauwe kleuren, op te maken waar en wanneer Iron Butterfly nu precies speelde in 1967.

Andere stromingen uit de jaren zeventig komen er bekaaid af op The Art of Selling Songs. Van het in die jaren zeer veel gevraagde ontwerpersteam Hipgnosis, die voor groepen als 10 CC, Pink Floyd en Genesis hyperrealistische hoezen ontwierp, hangt er alleen een hoes van een plaat van Peter Gabriel uit 1977. En van het werk van Roger Dean, die met zijn airbrush fantasielandschappen het gezicht van de symfonische rockgroep Yes bepaalde, is zelfs geen spoor te bekennen.

De draad wordt pas weer opgepakt bij de hoes van Never Mind The Bollocks van de punkgroep The Sex Pistols, die alleen bestaat uit de titels, samengesteld uit geknipte kranteletters. Zoals de simpele liedjes van The Sex Pistols een reactie waren op de pompeuze overdaad van Pink Floyd en Genesis, zo suggereerde dit anti-design een protest tegen de 'gladde' vormgeving van Hipgnosis en Roger Dean. Maar achter de spontaan ogende 'chantage-stijl' van de hoes, ging een uitgekiend 'concept' schuil van manager Malcolm McLaren en ontwerper Jamie Reed.

Johnny Rotten kon niet zingen en bassist Sid Vicious was niet naar de muziekschool geweest, maar Jamie Reed was een keurig afgestudeerde ontwerper die precies wist wat hij deed.

In de jaren tachtig werd het voorbeeld van de uitgekiende vormgeving van The Sex Pistols met succes door veel andere Britse bands gevolgd.

Peter Saville ontwierp voor synthesizerbands als Orchestral Manoeuvres In The Dark en Ultravox koele, op het constructivisme geinspireerde hoezen die precies bij de muziek pasten. Of is het omgekeerd? Past de muziek bij de hoes, begin je je bezorgd af te vragen bij de hoezen en inlegvellen van cd's uit de jaren tachtig op de tentoonstelling. “De loopbaan van een groep is afhankelijk van een keur aan strikt gecontroleerde visuele initiatieven”, beweert ontwerper Malcolm Garett van het succesvolle Engelse ontwerpersbureau Assorted Images dat onder meer de vormgeving van de produkten van The Simple Minds verzorgt. “Hoezen zijn slechts een onderdeel. Het gaat er ook om hoe de band eruit ziet op het podium, hoe er voor hun platen wordt geadverteerd, hoe de affiches zijn, enzovoort.” Muziek komt niet meer voor in Garetts rijtje van succesbepalende factoren.