De architectuur van Jip en Janneke

De vraag op de onderwijsconferentie was niet of de faculteit bouwkunde in Delft nog toekomst had. De vraag was zelfs niet of het nieuwe onderwijssysteem wel gewenst was. Die vragen waren volgens de organisatoren al lang met 'ja' beantwoord. De vraag die overbleef was: zijn er aanpassingen nodig om de nieuwe opzet van het onderwijs beter tot zijn recht te laten komen?

Vorige week donderdag hield de Delftse bouwkunde-faculteit een conferentie over het onlangs voor eerstejaars studenten ingevoerde 'probleem gestuurd onderwijs', ook wel PGO genoemd. Dit onderwijs moet de moeilijkheden oplossen die een commissie van wijze mannen twee jaar geleden deed verzuchten dat de faculteit maar beter kon worden samengevoegd met die in Eindhoven. Er werden in Delft te veel architecten opgeleid, die ondanks hun te lange studie met te weinig technische kennis de arbeidsmarkt opkwamen.

Ook al omdat Delft de bui zag hangen, is van de samenvoeging met Eindhoven niets gekomen. Delft is ouder, gerenommeerder en groter dan Eindhoven, maar wat belangrijker was: al in 1988 had Delft, geplaagd door een financieringstekort en opgejaagd door een steeds negatievere publieke opinie, het arbeidsintensieve en daardoor dure onderwijs 'geextensiveerd' en een 'interne vernieuwingscommissie' ingesteld.

Op het moment dat de door minister Deetman aangezochte commissie van wijze mannen met het vernietigende oordeel kwam, kon Delft dus tegenwicht bieden. Er werd druk aan een vernieuwingsplan gewerkt, wilde de bewindsman de bouwkunde-faculteit niet liever zelf orde op zaken laten stellen? Deetman hield de faculteit maandenlang in spanning, maar zijn opvolger Ritzen ging akkoord.

BLOKONDERWIJS

Inmiddels is er in Delft veel veranderd, en dat niet iedereen het met de veranderingen eens is werd donderdag toch wel duidelijk. Het unieke, van de Universiteit van Maastricht overgenomen PGO roept bij veel docenten zowel hilariteit als weemoed op: vroeger hadden we kleurrijke hoorcolleges en anarchistisch maar juist daardoor vruchtbaar onderwijs, nu hebben we strak gereglementeerd, alle fantasie verstikkend 'blokonderwijs'. ''Architectuur is contrabande'', zei Aldo van Eyck eens. Nou, die ongeregelde troupe is nu wel aan banden gelegd.

Het cabaret, halverwege de conferentie, had niet voor niets succes met een nummer waarin het probleem gestuurd onderwijs werd nagespeeld. Een groepje studenten onder begeleiding van een 'tutor' discussieerde over de 'casus' van Jip, die bij Janneke wilde gaan spelen maar haar huis niet kon vinden. Na twintig minuten zoeken komt hij er toch. Hij loopt achterom, langs de wip in de achtertuin.

Bedoeling van het PGO is dat studenten een probleem uit hun toekomstige beroepspraktijk krijgen voorgeschoteld dat hun nieuwsgierigheid prikkelt en hen aanzet tot het zoeken naar een oplossing, onder meer door in de bibliotheek allerlei handboeken te raadplegen. In het geval van Jip en Janneke luidt de oplossing dat 'de wijk waar de twee kinderen wonen is gebouwd in de tijd van de neo-truttigheid (1972-1978)'. Dat was althans wat de tutor, volgens de cabaretier 'herkenbaar aan het registreren van de studenten', in het 'voor studenten geheime instructieboek op zijn schoot' had staan.

Hartelijk meegelachen Als docent kunst- en architectuurgeschiedenis Kees Vollemans op de onderwijsconferentie aanwezig was geweest, had hij ongetwijfeld hartelijk meegelachen. Maar Vollemans was er niet, hij is een van de docenten die weerstand blijven bieden aan het nieuwe onderwijssysteem.

Anderen zijn vertrokken, vooral architecten die een eigen bureau hebben, er wat onderwijs bij deden en het welletjes vonden toen in 1988 de 'onderwijsextensivering' en de 'interne vernieuwing' werden afgekondigd. Volgens de faculteit gaat het omgerekend in fulltime banen om zo'n dertig verdwenen aanstellingen, ongeveer eentiende van het totaal. Daarbij zitten dan ook degenen die wegens de extensivering van het onderwijs moesten verdwijnen.

Vollemans is geen architect, heeft een fulltime baan aan de faculteit en mocht blijven. Hij is als tutor ingeroosterd in de blokken 'bouwproces' en 'stad' (met de invoering van het probleem gestuurd onderwijs is het jaar ingedeeld in de zes blokken huis, bouwproces, stad, gebouw, natte groep en regio) en vindt het PGO ''waanzinnig''.

In een boze brief aan de faculteit zegt hij ''geen enkel verband te zien'' tussen dit werk en zijn vakgebied. ''Een kunsthistoricus wordt geacht een studiegroep over bijvoorbeeld dakpannen te begeleiden, als ging het om een simpele tewerkstelling.''

Terwijl Vollemans voor de invoering van het PGO colleges gaf, moet hij nu ''als een huiswerkmoeder'' studenten begeleiden in zelfwerkzaamheid. Want dat is de taak van een tutor: hij zit erbij maar mag niets zeggen, hooguit de discussie over de casus in goede banen leiden. Vollemans is wel naar de tutor-instructie geweest, maar al na een paar minuten weer weggelopen. Er werd een videoband afgespeeld waarin een student luidruchtig binnenkwam, zijn tas op een tafel smeet en duidelijk geen zin had in discussieren. De vraag aan de aanstaande tutoren luidde: wat nu te doen? ''Ik dacht dat iedereen gek was geworden'', zegt Vollemans achteraf.

Het antwoord op zijn brief heeft die indruk bepaald niet weggenomen. Vollemans spreekt van een ''dienstbevel'' als hij wijst op de zinsnede dat ''uw weigering om als tutor te fungeren wordt aangemerkt als plichtverzuim''. Inmiddels heeft hij een advocaat ingeschakeld, die de faculteit duidelijk moet maken dat hij volgens zijn arbeidsovereenkomst docent kunst- en architectuurgeschiedenis is, ''geen koddebeier''.

IETS MINDER BOZE BRIEF

In een iets minder boze brief aan de faculteit schreef Arie Graafland namens het dagelijks bestuur van de vakgroep geschiedenis, media en theorie - waar Vollemans werkt - dat ''men door beheersmaatregelen weliswaar een ieder kan dwingen tot begeleiding van welk blok dan ook, maar niet tot een kwalitatief juiste begeleiding of enthousiaste inzet.'' De brief besluit met de conclusie dat de opstelling van de faculteit ''niet de meest logische weg is naar een zo goed mogelijk rendement van het personele potentieel van de wetenschappelijke staf''.

Graafland is niet zozeer tegen het nieuwe probleem gestuurd onderwijs (''Er werd op deze faculteit inderdaad veel gelummeld'') alswel tegen de uitwerking die eraan wordt gegeven. ''Volgens het PGO moet een tutor terughoudend zijn, de studenten moeten het zelf doen. Maar waar moeten eerstejaars studenten het over hebben, die weten toch nog van niets?'' Wil een tutor hen een beetje kunnen helpen, dan moet hij echter wel in de materie van het blok zijn ingevoerd. ''Een filosoof utiliteitsbouw laten geven is gekkenwerk.''

GEBREKKIGE AANSLUITING

Het door Vollemans en Graafland aangesneden probleem is door de faculteit voorzien. Het kon echter niet worden vermeden. Er zijn te veel eerstejaarsstudenten (zo'n 450) om maatwerk te kunnen leveren, vandaar. Toch duikt juist deze moeilijkheid in alle discussies over het PGO steeds weer op, vaak in combinatie met de gebrekkige aansluiting tussen de 'tutorblokken' en de 'ontwerpblokken'.

Deze laatste zijn in de plaats gekomen van het vroegere ontwerponderwijs, waar studenten in groepjes van een man of twaalf leerden ontwerpen. Met name dit ontwerponderwijs was wat de studie bouwkunde zo arbeidsintensief maakte - en de faculteit internationaal vermaard. Nu zijn de groepen groter, is er meer samenhang met de theorielessen van de tutorblokken dan vroeger met de colleges en is voor het ontwerponderwijs minder tijd uitgetrokken. Behalve over de teloorgang van het 'vrije ontwerpen', wordt vooral geklaagd over het feit dat de tutoren en de ontwerpers niet op elkaar zijn ingespeeld.

Volgens Eric de Graaff, afkomstig uit Maastricht en aangetrokken om de vernieuwing te begeleiden, ''was er niet genoeg tijd om uit te zoeken in welke blokken mensen geinteresseerd zijn''. Er moest te snel te veel worden veranderd, volgend jaar zal dat anders zijn. De kritiek op het tutorschap verbaast hem ook om een andere reden niet. In Delft is het probleem gestuurd onderwijs ingevoerd naast een bestaand onderwijssysteem, dat langzaam het veld zal moeten ruimen. Een verandering brengt meer gemor teweeg dan wanneer, zoals in Maastricht, een onderwijssysteem van de grond af wordt opgebouwd.

Het zijn met andere woorden moeilijkheden die volgens de Graaff vanzelf verdwijnen, evenals 'kinderziekten' als te weinig studieboeken in de tegenwoordig wel erg druk bezochte bibliotheek, kinderachtige casussen, het ontbreken van een zak-slaagregeling, gemopper over de verschijningsplicht en de vaak geringe motivatie van studenten voor de slappe discussies in de tutorlessen. Wat daarna overblijft weegt, vindt De Graaff, ruimschoots op tegen wat nu verloren gaat. Studenten worden beter begeleid (waardoor de faculteit een hoger rendement zal halen), er zijn door de andere opzet van het onderwijs maar liefst zes afstudeerrichtingen gekomen (waardoor er minder architecten zullen afstuderen) en het onderwijs is technischer geworden.

Blijft de vraag of de Nederlandse architectuur gebaat is bij de Delftse onderwijsvernieuwing. Aan het begin van het eerste jaar konden de studenten overal in het gebouw stapeltjes pamfletten vinden van ontwerpdocent-architect Izak Salomons, die zijn vlammend betoog besloot met de woorden: 'bureaucraten vergaan, maar de architectuur blijft altijd bestaan'. Juist op een faculteit als bouwkunde, meent Salomons, moeten studenten modes leren relativeren. Een trend is maar een trend, ook al wordt hij met veel bombarie als de nieuwe waarheid gelanceerd. Zei wijlen Jaap Bakema niet altijd tegen zijn collega-docenten: ''Als studenten slecht zijn is het jouw schuld niet, als ze goed zijn is het niet dankzij jou''?