Chinezen gaan vaak naar het VWO, maar haken daar ook vaak weer af

Op de regel dat allochtone leerlingen het op school slecht doen is een uitzondering: Chinezen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Turkse en Marokkaanse leerlingen gaan zij maar mondjesmaat naar het lager beroepsonderwijs. De meesten gaan naar HAVO of VWO, waar ze verhoudingsgewijs zelfs vaker dan Nederlandse leerlingen terecht komen.

Dit bleek toen in 1987 de Leidse universiteit onderzocht of de Chinese groepering in Nederland in aanmerking kwam voor toekenning van de minderhedenstatus. Het onderzoek richtte zich op huisvesting, werkgelegenheid en onderwijs en volgens het eindrapport kwam vooral uit het onderwijs naar voren dat de Chinezen in Nederland niet in een achterstandspositie verkeren: 'Chinese kinderen zijn zeer succesvol in het Nederlandse onderwijs'.

De onderzoekers baseerden zich hierbij op het grote aantal Chinezen dat naar HAVO en VWO gaat en op hun prestaties bij de CITO-toets aan het einde van de basisschool. Uit de resultaten op de toets bleek dat Chinese leerlingen uitstekend kunnen rekenen, zelfs beter dan Nederlandse leerlingen. De onderzoekers verklaarden dit door erop te wijzen dat rekenen voor Chinezen 'een echt vak' is. Ook zouden Chinese leerlingen door hun zwakke taalbeheersing veroorzaakte achterstanden in andere vakken compenseren door zich vol overgave op het rekenen te storten.

In het voortgezet onderwijs valt iets soortgelijks te zien. Daar zijn Chinese leerlingen goed in de exacte vakken. Wim Westerman van het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum, die zich al jaren met Chinese leerlingen bezighoudt, verwijst als verklaring naar de Chinese taal.

De duizenden karakters die een Chinees nodig heeft om zich te kunnen uitdrukken, vragen om structurering en ordening. En dat zijn zaken die helpen bij de exacte vakken.

Mary van der Made, directrice van de Chinese school Kai Wah, wijst op het belang dat Chinese ouders aan onderwijs toekennen. Kennis staat in hoog aanzien en wordt gezien als de beste opstap naar maatschappelijk succes. Ouders vinden dan ook dat hun kinderen goed hun best moeten doen op school.

Tegelijk houden diezelfde ouders zich zoveel mogelijk afzijdig van het schoolleven van hun kinderen. Ouderavonden worden nauwelijks bezocht en huiswerk is een zaak van de kinderen. Daarvoor zijn twee verklaringen. Chinese ouders spreken over het algemeen slecht of helemaal geen Nederlands. Daarnaast hebben ze weinig tijd. Het grootste deel van de Chinezen in Nederland werkt nog altijd in Chinese restaurants, zes dagen per week van 's morgens tien tot 's avonds tien.

DE ALMACHTIGE LERAAR

Maar ook de manier waarop Chinezen tegen school aankijken verklaart deze terughoudendheid. Voor hen is school een zaak van de leraren.

Laat hun kind het afweten, dan zal de leraar ingrijpen. Chinese ouders zien leraren als geletterde personen aan wie leerlingen zich moeten spiegelen en die ze niet mogen tegengespreken. Naar een leraar moet worden geluisterd en alleen als dat gevraagd wordt, mag een leerling zijn mond open doen.

Volgens Westerman realiseren de meeste Chinese ouders zich inmiddels wel dat de praktijk in Nederland wat anders is, maar kan de confrontatie tussen ideaal en harde realiteit nog steeds een schok zijn. Zo is er het waar gebeurde geval van de Chinese vader die voor het eerst de school van zijn dochter bezoekt. Het meisje is ziek en dat komt hij melden. De man loopt door de gang en kijkt een leslokaal in. De leraar zit nonchalant op zijn tafel, zonder stropdas, met sigaret en koffie. In een klap spat zijn beeld van de leraar als geleerde en autoriteit uiteen. De vader besluit zijn dochter op een andere school te doen.

Zelf lijden Chinese kinderen nauwelijks onder het verschil in cultuur tussen thuis en op school. Westerman verklaart dit uit de Chinese opvoeding, waar ook ooms, tantes en buren zich mee bemoeien. De kinderen zouden daarom gewend zijn aan tegenstrijdige opvattingen en visies en met elkaar strijdende gezichtspunten strikt scheiden.

Volgens Westerman zijn Chinese ouders gelukkiger met het voorgezet onderwijs dan met het basisonderwijs. In het voortgezet onderwijs staat leren voorop en krijgen kinderen huiswerk. Over de speelse en zo goed als huiswerkloze aanpak op basisscholen willen de ouders zich nog wel eens verbazen. In Hongkong en de Volksrepubliek, waar het gros van de Chinezen in Nederland vandaan komt, is een berg huiswerk heel gewoon. Leerlingen zijn vaak tot 's avonds laat bezig. Chinese ouders geven de voorkeur aan een school met een strak regiem en frontaal onderwijs. Met Jenaplan- en Montessorischolen hebben ze niet veel op.

Toch zit aan de successtory van de Chinezen ook een andere kant, een kant die volgens Van der Made in alle euforie vaak over het hoofd wordt gezien. Dat Chinezen het in vergelijking met andere minderheden goed doen, wil niet zeggen dat alles vlekkeloos gaat.

Een van de belangrijkste problemen is de taal. Chinese kinderen horen tot ze naar school gaan alleen maar Chinees. Die achterstand zorgt er volgens Van der Made voor dat Chinese kleuters de eerste jaren schuchter en stil zijn: ''Ze doen hun mond niet open''. Ze kent gevallen van leraren die vermoedden dat zo'n kind doofstom was.

TAAL ALS STAMPWERK

Omdat het Nederlands van Chinese kinderen niet al te best is, zou men verwachten dat ze moeite hebben met de moderne vreemde talen. Vreemd genoeg is het tegendeel het geval; in de lagere klassen van het voorgezet onderwijs scoren Chinese leerlingen goed voor Frans, Duits en Engels. Voor Van der Made is het geen verrassing. In de lagere klassen is stampwerk belangrijk en dat is nu juist waar Chinese leerlingen in getraind zijn. Om een eenvoudige tekst op papier te kunnen zetten, moet een Chinees ongeveer 4000, vaak ingewikkelde karakters kennen. In Hongkong en de Volksrepubliek slokt het taalonderwijs 70 procent van de lestijd op.

De problemen komen in de bovenbouw. De aandacht verschuift naar tekstbegrip en daar laten Chinese leerlingen het afweten. (Ook op de CITO-toets was dit een zwak onderdeel, dat door andere gecompenseerd werd). Er zijn volgens Van der Made dan ook maar weinig Chinese leerlingen die meer moderne talen kiezen dan noodzakelijk is.

Geschiedenis en aardrijkskunde zijn evenmin populair. De taalproblemen kunnen ook grotere consequenties hebben. Volgens Westerman komt het vrij vaak voor dat Chinese leerlingen voortijdig afhaken. Hij schat het percentage voor HAVO en VWO op ongeveer 30 procent. Alleen een gebrekkige beheersing van het Nederlands kan de 30 procent uitval volgens Westerman niet verklaren. Zoals bij andere minderheden zou ook bij Chinezen het gebrek aan mensen met wie ze zich kunnen identificeren demotiverend werken: Chinezen werken als kok en kelner en niet in aansprekende posities.

Ook kan de dubbele belasting van restaurant en school Chinese leerlingen te veel worden. Veel van hen helpen hun ouders in het restaurant of verdienen wat bij in het restaurant van anderen.

Westerman: ''Je ziet ze vaak met hun leerboek achter de tapkast staan''. Vooral in de hogere klassen kan de belasting te groot worden.

Conflicterende belangen In het Leidse onderzoek wordt daar nog aan toegevoegd dat ''kinderen hun gang kunnen gaan zolang dat niet conflicteert met andere doeleinden van de ouders, waarvoor zij hun kinderen nodig hebben.

Indien een dergelijk conflict wel aan de orde is, wegen de ouders de voor- en nadelen van het continueren van de schoolcarriere af, waarbij niet de belangen van het individuele kind, maar die van de familie als geheel voorop staan.''

Chinese ouders kunnen met andere woorden besluiten om hun kind van school te halen als de perspectieven op een latere studie en goede baan niet al te rooskleurig zijn. Volgens de ouders kan het kind in zo'n geval maar beter een bijdrage aan het gezinsinkomen leveren.

Werken is dan belangrijker voor de status van het gezin. Westerman meent dat leraren over het algemeen een positief beeld van hun Chinese leerlingen hebben: ze zijn vriendelijk en beleefd, spreken netjes met twee woorden, zeggen zelden nee en lijken meteen door te hebben waar het over gaat. Maar die vriendelijke en beleefde buitenkant wil volgens hem nogal eens verhullen dat Chinese leerlingen vaak niet goed weten waar de les over gaat.

Volgens Westerman zijn de regionale schoolbegeleidingsdiensten slecht op de hoogte van de problemen en cultuur van Chinese leerlingen. Voor bijscholing in de achtergronden van Marokkaanse en Turkse leerlingen loopt het storm, voor Chinese leerlingen is er veel minder belangstelling. Westerman: ''Men herkent dat ene Chinese kind vaak niet als probleem of zegt: in zo'n kleine doelgroep ga ik mijn tijd niet steken''.

Scholen met vragen over Chinese leerlingen komen bij de meeste schoolbegeleidingsdiensten dan ook niet veel verder. Als zulke scholen vervolgens Westerman bellen luidt zijn standaardvraag altijd waar de leerling vandaan komt. Het verbaasde antwoord is vaak: uit China natuurlijk. Westerman: ''Maar in een heleboel gevallen komt zo'n kind helemaal niet uit China, maar uit Hongkong of Taiwan. Vorige week had ik er een uit Panama.''