Bush lijkt slachtoffer van eigen succes

Het onderscheid tussen Bush en de stuurlui aan de wal is niet groot. De Amerikaanse president had een plan: de vernietiging van Iraks strijdkrachten tot een zeker punt, daarna zou hij wel verder zien.

De stuurlui aan de wal willen hulp, desnoods militaire, voor de Koerden. Daarna laten ze het weer graag aan Bush over. In bepaalde zin is de president duidelijker: hij weet wat hij niet wil, het uiteenvallen van Irak. De stuurlui aan de wal lijken een dergelijke consequentie op de koop toe te nemen. Het onrijpe idee om beschermde enclaves binnen Iraks grenzen in te richten, zou een begin van desintegratie van dat land hebben betekend en een internationale bijdrage aan voortzetting van de burgeroorlog. De enclaves zouden immers ook 'save havens' voor de Koerdische guerrilleros zijn geworden. Hoe het met de nu door Bush gesanctioneerde vluchtelingenkampen zal aflopen, moet worden afgewacht.

Bush zou volgens zijn critici na de herovering van Koeweit op Bagdad onder de bekoring zijn geraakt van de 'Realpolitik' van zijn diplomaten en van de tot verlamming leidende voorzichtigheid van zijn militaire adviseurs. Na de romantische periode van de 'nieuwe orde'

zouden we zijn aangeland in een tijdperk van nieuwe zakelijkheid waarin de bevordering van democratie en de rechten van de mens plaats maken voor het 'raison d'etat' der diplomaten en de angst van de militairen voor het avontuur. Generaal Colin Powell, voorzitter van de Verenigde Chefs van Staven, zou er persoonlijk voor hebben gezorgd dat Saddam Husseins tegen de Koerden opererende helikopters met rust werden gelaten. Iedere onderneming die het vertrek van de Amerikaanse strijdkrachten uit Irak zou hebben vertraagd, was taboe.

Achteraf kunnen we vaststellen dat de term 'nieuwe orde' beter niet had kunnen worden gebruikt, zelfs als we er begrip voor hebben dat de morele mobilisatie van de Verenigde Staten tot woordinflatie aanleiding heeft gegeven. Bush zegt niet meer te hebben bedoeld dan dat staten en volken hun geschillen voortaan vreedzaam regelen en dat de Verenigde Naties daarbij een taak hebben. Vanzelfsprekend boden de Amerikanen hun goede diensten aan - de op gang komende shuttle-diplomatie van minister Baker - maar dat betekende niet dat de Verenigde Staten de rol van wereldpolitieagent wilden spelen. Het klinkt redelijk en beheerst, maar in de euforie van oorlog en overwinning hebben velen er veel meer in willen horen.

Er heeft zich sinds de gebeurtenissen van 2 augustus vorig jaar en daarop volgend een opvallende kanteling voorgedaan in de publieke opinie. Maandenlang overheerste terughoudendheid. De internationale boycot van Irak moest het maximum zijn - daarachter lagen vernietiging en ondergang of op zijn best het onbekende. Toen Bush begin november bekendmaakte de sterkte van de Amerikaanse troepen in de Golf te verdubbelen en Irak gewapenderhand aan te pakken, dreigde in het Congres opstand. Dat het daarvan niet kwam, was vooral te danken aan de internationale steun die Bush voor militair ingrijpen wist te verwerven.

Het lijkt wel alsof de president het slachtoffer is geworden van zijn eigen succes. De publieke opinie is overmoedig. Zij die Bush al die maanden hun steun hadden gegeven, waren diep teleurgesteld dat niet met Saddam Hussein werd afgerekend. De Koerdenopstand biedt daarvoor volgens hen een laatste kans. Ook 'duiven' van weleer moedigen, nu hun vrees voor een Amerikaans fiasco in Koeweit ongegrond is gebleken, de president aan om ten gunste van de opstandelingen in te grijpen. Moest Bush aanvankelijk zijn daadkracht verdedigen, nu wordt hem lafheid, gevoelloosheid en passiviteit verweten.

In de emotie van het moment gaat het gevoel voor verhouding verloren. Met een zekere voldoening wordt de smalende kritiek van de 'in de steek gelaten' rebellen genoteerd: Bush als hoofdschuldige aan de tragedie. De opmerking van de president dat hij geen Amerikaanse soldaten wil inzetten in een burgeroorlog die al tientallen jaren duurt, gaat verloren in hoon. Maar zeker de Koerden hadden zich langdurig en welbewust op een nieuwe confrontatie met het Ba'ath-regime voorbereid. Het beeld van een door Amerikaanse propaganda en subversieve actie op hol gejaagde bevolking dekt in zijn eenvoud de werkelijkheid niet.

De western-versie van de zege van goed op kwaad tekent de held als eenzaam silhouet tegen de ondergaande zon. Kissinger beschreef zichzelf eens argeloos in die termen tegenover de Italiaanse journaliste Oriana Fallaci. Maar voor de politicus is een dergelijke scherp omlijnde afsluiting van de geschiedenis niet weggelegd. Iedere handeling leidt tot een onbekende reeks gevolgen en niets doen evenzeer. En juist op die gevolgen wordt hij aangesproken, een verschijnsel dat snelle wisselingen in de populariteit kan veroorzaken. Bush ervaart dat nu. Even was er de suggestie van een schitterende finale, maar het onontkoombare vervolg kan weinigen bevredigen.

De president en zijn adviseurs in de Golf zijn niet te werk gegaan volgens een uitgewerkt en gedetailleerd plan waarin alle denkbare ontwikkelingen aandacht kregen. De verklaring van generaal Schwarzkopf dat de Iraakse generaals hem erin hadden geluisd toen zij vergunning vroegen om hun helikopters te laten opstijgen, geeft blijk van naiveteit. Voor de opmerking van een regeringszegsman dat de omvang van de Koerdenopstand de Amerikanen had verrast, geldt hetzelfde. De beoordeling van Iraks strijdkrachten na Desert Storm leed onder telfouten. Van het meeste wapentuig was er meer overgebleven dan werd aangenomen. Waar aanvankelijk Saddam Husseins legioenen waren overschat, gebeurde na hun nederlaag het tegendeel.

Een ding stond sinds vorige herfst vast voor Bush en zijn omgeving: de VS mochten niet opnieuw, zoals destijds in Vietnam, in een toestand worden gebracht waar anderen de spelregels dicteren. Het antwoord op verzoeken om verdere interventie in Irak stond bij voorbaat vast en dat antwoord luidde afwijzend. Sinds een paar dagen wordt er op dit thema toch gevarieerd.

Indien het Witte Huis zich aan de algemene overwinningsroes zou hebben overgegeven, zou het nu niet alleen in Irak 'orde op zaken' stellen, maar zou het ook de vrijgeworden Oosteuropese landen het lidmaatschap van de NAVO aanbieden. (In de Washington Post en in de Frankfurter Allgemeine zijn suggesties daartoe gedaan - de tijd zou er rijp voor zijn.) De betrekkingen met de Sovjet-Unie zouden dan onder zware spanning zijn komen te staan. Het is geruststellend dat de Amerikaanse regering, na de zogenoemde overwinningen in de Koude Oorlog en in de Golfoorlog, zichzelf grenzen heeft gesteld en niet de jonge en frisse overmoed van de publieke opinie heeft overgenomen. In Washington betracht men nuchterheid, weinig heroisch, maar wellicht minder riskant.