Bush improviseert zijn Koerden-beleid

WASHINGTON, 18 april - President Bush improviseert bij de aanpak van de Koerdische vluchtelingencrisis. Het sturen van troepen naar Noord-Irak om daar vluchtelingenkampen op te zetten en te beschermen, is daar een voorbeeld van. Volgens regeringsfunctionarissen is de afloop van het avontuur nog niet duidelijk, maar er moest iets worden ondernomen omdat de nood zo groot is.

President Bush heeft de geallieerde missie in Noord-Irak gelegitimeerd met de onlangs door de Veiligheidsraad aangenomen resolutie 688, volgens welke de binnenlandse onderdrukking in Irak ook een bedreiging vormt van de internationale vrede en veiligheid. De Amerikaanse regering rekent erop dat de Verenigde Naties in het kader van resolutie 688 de wacht in de vijf tot zes op te zetten vluchtelingenkampen van de geallieerde troepen zullen overnemen.

Volgens de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Javier Perez de Cuellar, is daarvoor echter de instemming van de Veiligheidsraad nodig, plus die van Irak. Hoewel dat gisteren door de woordvoerder van het Witte Huis werd betwist, blijft daarmee onduidelijk hoe lang de Amerikaanse troepen moeten blijven om de vluchtelingenkampen te beschermen. Er is nog lang geen zicht op een politieke oplossing van het Koerdenprobleem in Irak.

In dat verband riep ex-minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger gisteren voor CNN-televisie het beeld op van een “permanente vestiging van buitenlandse troepen die vroeger of laat problemen zullen krijgen met Turkije en Iran, die ook belangrijke Koerdische bevolkingen hebben”. Er zijn volgens hem maar twee oplossingen op lange termijn: hetzij de omverwerping van het bewind van Saddam Hussein, hetzij autonomie voor de Koerden in Irak op een wijze die de interventiemogelijkheden van het Iraakse leger beperkt.

Zodra Bush had besloten tot de missie, was er gemor te horen in het Pentagon. Vietnam indachtig willen de militairen geen onduidelijke missies. Sommigen zien het als spelen met vuur. De overdracht in Zuid-Irak aan de Verenigde Naties verloopt traag, en dat voorspelt niet veel goeds voor de grote rol die Bush de VN in het Noorden heeft toegedacht.

De Amerikaanse regering heeft de geallieerde stappen gisteren pas meegedeeld aan Irak. Verwacht wordt dat Irak ondanks zijn aanvankelijke protesten zal meewerken, omdat het gelijktijdig aan de Veiligheidsraad heeft verzocht om voor bijna een miljard dollar aan olie te mogen verkopen voor de aanschaf van voedsel voor zijn burgers.

President Bush heeft zich nog niet uitgesproken over een dergelijke verlichting van de sancties, maar hij maakte er wel toespelingen op.

“Verlichting voor de mensen die lijden heeft de prioriteit”, zei hij gisteren, doelend op de Koerden. “Deze hulp moet doorgaan en moet gesmeerd verlopen en dan kunnen we niet-gerelateerde zaken bekijken, zaken die misschien belangrijk zijn voor Irak. Maar onze prioriteiten, de prioriteiten voor de wereld, zijn bepaald.” Irak moet toelaten dat Koerdische vluchtelingen onderdak en eten krijgen om verlichting van economische sancties te krijgen, aldus Bush.

De beelden van hongerende Koerden, elke avond op het televisienieuws, hebben een tegenstribbelende Bush gebracht tot stappen die telkens aan de late kant waren. Aanvankelijk wilde Bush niet ingrijpen, waarbij hij zich beriep op het feit dat hij geen mandaat had van de Verenigde Naties. Bovendien verbiedt artikel twee van het Handvest van de Verenigde Naties inmenging in de binnenlandse zaken van een ander land. Resolutie 688 maakte een einde aan zijn dilemma.

Afgelopen weekeinde zei Bush nog op felle toon dat hij niet meer het leven van Amerikaanse soldaten zou riskeren. Twee dagen later stuurde hij de troepen, weliswaar alleen voor een humanitaire missie.

Aanvankelijk verklaarde hij zich tegen het Britse plan voor een 'enclave' waar de Koerdische vluchtelingen in Noord-Irak veiligheid zouden kunnen vinden. Later stelde hij een de facto vrijplaats voor de Koerden in, toen hij Iraakse militaire activiteiten boven de 36e breedtegraad verbood. Maar het afgelopen weekeinde werd dit verbod weer beperkt tot Iraakse militaire activiteiten die de geallieerde hulp zouden hinderen.