'Bent u ook zo tevreden?', 'Jazeker, ik zie er niet zo uit, maar ik ben het wel.'

De ingang van de lerarenkamer van het Marnixgymnasium in Rotterdam wordt geflankeerd door twee joekels van mozaieken. Talenten aan ieder staat op de linkerzuil, Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken op de rechter.

'Dit is het oude gebouw van de MMS van 1952' zegt de conrector, die mij bij de mozaieken aantreft. Een echte verklaring is het niet, maar we gaan de poort door, de lerarenkamer in, waar zo te zien iemand jarig is. Er staat een grote schaal taartjes op tafel. Het gordijn is dichtgetrokken, zodat ze niet verpieteren in de zon.

Het is een ruime lerarenkamer, met twee grote driezitsbanken van velours aan de ene kant en een gigantische tafel aan de andere. Er zitten maar twee leraren aan tafel. De een kijkt een ingehaald proefwerk na, de andere leest de schoolkrant. 'Hoe is het proefwerk gemaakt?', vraag ik. 'Slecht', zegt de leraar, 'dat heb je wel vaker met inhaalproefwerken, die leren ze niet goed. Ik kwam kijken hoe het ging en toen zat ze met haar boek op schoot. Dat deel reken ik dus niet mee.' Hij streept treurig verder.

De leraar met de schoolkrant giechelt. 'Ik lees altijd eerst de rubriek met uitspraken', zegt hij, 'die is het leukst.'

In alle schoolkranten heb je zo'n rubriek. Er staan zinnetjes in die de leraren en leerlingen hebben gezegd en waar de klas toen dubbel om lag. Een buitenstaander vindt er niks aan, maar voor de ingewijden is het de leukste rubriek. 'Staat u er in?', vraag ik. 'Ik sta er altijd in', zegt de leraar. Hij wijst zijn bijdrage aan: 'Op de docentendag was hier zo'n pedagoochelaar.' Hij glundert.

De deur van de lerarenkamer gaat open en de secretaresse komt binnen. 'Waar is iedereen?', vraagt ze. 'Lesgeven', zegt de conrector. De secretaresse kijkt hem stralend aan. 'O ja, dat doen ze hier ook nog', zegt ze en huppelt op weg naar buiten bijna een lerares omver.

'Wat geeft zij?', vraag ik. 'Aardrijkskunde', zegt de conrector, 'en Portugees.'

'En ze breit', vult de leraar van het inhaalproefwerk aan. 'Nietes', zegt de lerares aardrijkskunde-Portugees, 'ik brei alleen tijdens vergaderingen. Dat is gezellig. Ik heb er een speciale vergadertrui voor.'

Weet u niet dat mannen een verschrikkelijke hekel hebben aan breiende collega's?', vraag ik. De lerares haalt haar schouders op en kijkt de leraar met de schoolkrant aan. 'Och', zegt die verzoenend. Zelf heeft hij een bruine slip-over aan waar je goed aan kunt zien dat iemand hem met liefde heeft gebreid.

De pauze begint en de lerarenkamer loopt vol. Eerst worden de plaatsen aan de tafel bezet, want daar staan de taartjes. Naast mij landt een geschiedenisleraar.

'Dit is een fantastische school,' zegt hij, 'Ik ga iedere dag met plezier naar mijn werk. Op deze school zul je geen afgebrande docenten aantreffen, die heb je hier niet. Neem mijzelf, ik ben zielsgelukkig op deze school. Ik vind het hier fijn.' Ik kijk de lerares aardrijkskunde-Portugees aan.

'Ik ga ook met plezier naar mijn werk,' zegt zij, 'behalve als het waait, want dan moet ik zo hard fietsen. Weet je wat zo prettig is op deze school? De leerlingen zijn intelligent.' De lerares wiskunde knikt instemmend.

'Ze zijn ook zo aardig! Ze zwaaien naar me als ik ze in de auto passeer.' 'Laatst hebben de leerlingen mijn auto gewassen', zegt een leraar die ik nog niet ken, zo aardig!'

Aan de overkant zit de jarige leraar zuur te kijken. 'Bent u ook zo tevreden?', vraag ik. Hij knikt. 'Jazeker,' zegt hij, 'ik zie er niet zo uit, maar ik ben het wel.'

De leraar geschiedenis naast me is nog niet uitgesproken: 'Het is hier zo prettig omdat het een kleine school is', zegt hij, 'kun je misschien ook wat schrijven over de drie dagen excursie naar Limburg die we gemaakt hebben of over de werkweek van de vierde klas naar Gorssel? Dat was ook zo leuk. En de vijfde is naar Rome geweest. Dat hadden ze helemaal zelf georganiseerd.'

Ik krijg gaatjes in mijn tanden van al dat suikergoed. Zo positief zijn leraren meestal niet, ze horen een beetje te spotten met elkaar en met het onderwijs. Ik ga naar het bankstel. 'Mooie banken', zeg ik tegen een grote en een kleine leraar die met elkaar zitten te praten.

'Die banken hebben we cadeau gekregen van de ouders van een moeilijke leerling. Toen die jongen zijn eindexamen had gehaald, kregen we dit bankstel', zegt de grote leraar.

'Waar hadden jullie het over?', vraag ik. 'Over kippen', zegt de kleine leraar, 'wij hebben het altijd over kippen.' Hij wijst op de grote leraar. 'Hij weet veel van kippen en ik heb een stadstuintje waar ik kippen wil gaan houden.'

De grote leraar blikt glimlachend neer op zijn collega. 'Ik heb hem krielkippen aangeraden,' zegt hij, 'want hij is zelf ook niet zo groot.'