Attali legt alle kritiek op z'n bank hooghartig ter zijde

LONDEN, 18 APRIL. Jacques Attali, hoofd van de zojuist opgerichte Europese Bank voor Reconstructie en Ontwikkeling (EBRO), bleef stralen. In zijn eentje - kenmerkend voor de bravoure die zijn optreden uitstraalt - stond hij gisteren na afloop van de oprichtingsvergadering vanachter een immense conferentietafel nog even een honderdtal journalisten uit de hele wereld te woord. Hun vragen en conclusies waren ongemakkelijk en niet vriendelijk.

'Ik ben van de Hongaarse radio. Hoeveel kans hebben wij bij de Hongaarse radio dat u ons geld geeft?'

'Uw bank is zo voor het milieu. Is al dat papier van al die documenten hier recycled? Waarom niet?'

'Waarom geeft uw bank zoveel aan zichzelf uit, nog voor er een cent aan Oost-Europa is uitgegeven?'

'Waarom hebt u nog geen vice-president voor het merchantbank-deel van de bank? Is het waar dat u daarover ruzie hebt met de Amerikaanse regering?'

'Hoe kunt u nou, zoals uw statuten voorschrijven, democratie in Oost-Europa bevorderen, als u eigenlijk niet meer bent dan een gewone bank?'

Ratelend schiet Attali terug. In het Engels wanneer hij het belangrijk vindt dat de Amerikaanse journalisten zijn woorden verstaan, in het Frans wanneer hij Franstalige ondervragers ontwaart - “we hoeven niet de illusie te wekken dat de hele wereld door Engelstaligen wordt beheerst”. Ook al weer zo'n veelzeggend trekje voor de zelfverzekerdheid waarmee de kleine Fransman het bestaan tegemoet treedt.

Althans op de thuisbasis van de bank, Londen, zijn Attali en zijn geesteskind, alle formele welkomstwoorden ten spijt, niet hartelijk ontvangen. De Britse pers heeft niet nagelaten te benadrukken dat de EBRO een Frans initiatief is, dat de maken heeft met het “pan-Europeanisme” van de Franse president Mitterand en het heeft de licht kritische toon in een toespraak van de Amerikaanse minister van financien, Nicholas Brady, dankbaar aangegrepen om te betogen dat de bank door zijn topzware structuur en dubbele opdracht menselijkerwijs geen kans van slagen heeft.

Met die benadering maakte Attali gisteren korte metten. De bank zou vandaag pas beginnen met het formuleren van een actieprogramma, met het analyseren van mogelijke projecten en met het opzetten van een strategie per (Oosteuropees-)land. Wilde men dus zo vriendelijk zijn de bank pas dan te beoordelen wanneer ze langer dan drie dagen had bestaan?

“Het eerste project van de bank is de bank zelf. Dat we veel geld aan onszelf uitgeven is waar, maar het kost nu eenmaal geld om uitmuntendheid te verwerven. Onze positie in de toekomst zal gebaseerd zijn op expertise. Expertise betekent invloed. En invloed betekent dat je anderen ertoe kunt brengen hun eigen financiele structuur verstandig in te richten. Dat levert dan op zichzelf weer besparingen op.”

Volgens The Times vanmorgen hebben Attali en Nicholas Brady (die 10 procent Amerikaans deelnemingskapitaal in de bank vertegenwoordigt) deze week achter de schermen hooglopende ruzie gekregen. Die ruzie zou gaan over de vraag of de EBRO zich ook met Oost-Duitsland moet gaan bemoeien - zoals Attali wil - of de economische ontwikkeling daarvan moet overlaten aan de Duitse regering en aan de Europese Gemeenschap, zoals de Amerikanen wensen te zien gebeuren. Gisteren wuifde Attali alle gesuggereerde meningsverschillen met zijn belangrijkste aandeelhouder weg, maar het lijkt niet denkbeeldig dat hij zal blijven vasthouden aan het idee dat de EBRO een eerste stempel kan drukken door beperkt deel te nemen in geprivatiseerde projecten in Oost-Duitsland. Van alle Oosteuropese landen is dat het verste gevorderd in zijn streven naar economische hervorming en daar kan de EBRO dus een voorbeeldfunctie hebben.

De vraag is in hoeverre Attali erin slaagt zijn zin door te drukken tegen pressie van de vertegenwoordigers van de deelnemende landen in.

Critici wijzen erop dat de EBRO een log en ineffectief apparaat wordt, wanneer Attali en zijn staf voor elke beslissing te rade moeten gaan bij de 23-man sterke raad van bestuur. Dat zijn functionarissen, aangewezen door in de bank deelnemende landen die - zoals The Times het uitdrukt - “niet in de dagelijkse leiding van de bank zitten, in Londen wonen, al hun onkosten betaald krijgen en een kwart van het totale personeelsbudget van de bank opslokken”.

Nicholas Brady - en minder opvallend ook de Nederlandse minister van financien Wim Kok - pleitte er deze week ook voor dat de Board of Governors (de regeringen van de deelnemende landen) meer invloed zou krijgen op de besluitvorming bij de bank. Attali, wonderlijk genoeg, ondersteunde die oproep gisteren in zoverre van harte, dat hij zich very happy met dat concept betoonde. “Zij maken de dienst uit”, zei hij opgewekt. En legde daarmee de verantwoordelijkheid over de toekomst van de bank en haar succes van slagen neer waar zij hoorde: bij de politiek verantwoordelijken voor een ontwikkelingsbank die mee moet helpen die doeleinden tot stand te brengen die de deelnemende regeringen zelf wenselijk achten in hun buitenlands beleid.

    • Hieke Jippes