Wie geen sterke man in de familie heeft, kan het eten wel vergeten

UZUMLU, 17 april - Het is eindelijk een dag mooi weer in Uzumlu. Voor de tienduizenden gevluchte Koerden bij dit plaatsje pal aan de Turkse grens met Irak is dat van levensbelang. Niet alleen kunnen de mensen wat bekomen van de kou en kan de modder in het kamp opdrogen, het belangrijkste is dat ook nieuwe hulp kan worden aangevoerd.

Vorige week waren de vluchtelingen door slecht weer vier dagen lang volledig van de buitenwereld afgesloten waardoor zij geheel zonder voedsel zaten. Vele tientallen mensen overleefden deze periode niet.

Nu, als het even mooi weer is, ploegen vrachtauto's en tractoren over de eindeloze, nog steeds zeer modderige weg naar de tentjes van de Koerden, hoog in de bergen. De meeste auto's brengen hulp die is ingezameld door de plaatselijke Turks-Koerdische bevolking, getuige de spandoeken waarop de naam van de plaats van herkomst staat geschreven.

Boven het kamp cirkelen intussen Amerikaanse transportvliegtuigen. Begeleid door straaljagers verkennen ze eerst brommend het terrein om vervolgens pakketten aan parachutes neer te laten. Om de pakketten met kant-en-klare maaltijden die goed aankomen breekt meteen een gevecht uit, zoals overal, om het nieuw binnengekomen voedsel.

Niet alle pakketten komen goed neer. Een paar dagen geleden werd in Uzumlu iemand gedood door een pakket waarvan de parachute niet was opengegaan. Bovendien komen sommige pakketten terecht in de mijnenvelden aan de grens die Irak daar vorig jaar heeft aangelegd.

Naar verluidt hebben verscheidene vluchtelingen pogingen om hier neergekomen pakketten te bereiken met de dood moeten bekopen. De komende dagen worden echter voor het eerst op grote schaal Amerikaanse helikopters ingezet bij de hulpverlening en daarmee zal de hulp uit de lucht aanzienlijk doelmatiger worden.

Maar weinigen in Uzumlu, waar de toestand ernstiger is dan bij de twee kampen bij (C,)ukurca, bivakkeren nog onder tentjes die zijn gemaakt van dekens. De meesten zijn intussen voorzien van echte tenten of minimaal van stukken plastic, die enige bescherming bieden tegen de regen. Sommigen wonen in tentjes die zijn gemaakt van neergekomen parachutes.

Ontberingen Ook al is de toestand dan iets verbeterd, de naar schatting 50.000 vluchtelingen in Uzumlu blijven blootgesteld aan veel ontberingen. Om te beginnen is er de lokatie van het kamp. Op een steile, kale helling staan hun tentjes. Velen zijn er niet in geslaagd om een egaal plekje te vinden.

De watervoorziening blijft eveneens een nijpend probleem. Door het kamp stroomt alleen een modderige beek. Met enige goede wil kunnen daarin zeer vieze kledingstukken iets schoner worden gewassen, maar voor andere doeleinden is het geheel ongeschikt. Voor drinkwater moeten de vluchtelingen omhoog klimmen tot bij de sneeuwgrens waar het water van betere kwaliteit is. “We zouden ons zo dolgraag weer eens willen wassen,” zegt Ali Hassan Ali, een beminnelijke aardrijkskundeleraar van 45 jaar uit Dohuk die al ruim twee weken in Uzumlu is. Deze wens zou eenvoudig zijn te verwezenlijken als de Turkse militairen de vluchtelingen zouden toestaan om gebruik te maken van een kraakhelder riviertje een paar kilometer verderop.

Omdat de mensen het kamp niet uit mogen om zich te wassen of hun behoefte te doen, wordt de hygienische toestand steeds zorgelijker.

Vooral als de temperatuur verder stijgt, wordt de kans op epidemieen steeds groter. Tot dusverre laat de medische zorg in Uzumlu en de andere kampen zeer te wensen over. “Ik heb hier nog geen enkele dokter gezien,” zegt Ali Hassan Ali.

In een ander kamp bij (C,)ukurca heeft de Franse hulporganisatie Artsen zonder Grenzen (MSF) intussen een noodhospitaal ingericht. Maar hoewel alles maandag gereed was, durfde MSF de poorten nog niet te openen, ironisch genoeg omdat de organisatie vreesde dat veel te veel Koerden tegelijk zouden proberen om het hospitaaltje binnen te komen.

Hulp van het Turkse leger had uitkomst kunnen brengen, maar om onbekende redenen was die niet direct voorhanden.

De beste graadmeter voor de toestand in Uzumlu is het aantal doden. “Nog steeds sterven er elke dag tien tot vijftien mensen in het kamp, vooral kleine kinderen”, zegt een jonge Koerdische ingenieur, die zelf af en toe moet stilstaan om langdurig te hoesten. De grootste beproeving blijven de ijskoude nachten.

Het feit dat er meer voedsel is betekent niet dat iedereen hiervan profiteert. Nog steeds verloopt de distributie geheel willekeurig.

Wanneer een nieuwe auto met brood of ander voedsel het kamp binnenrijdt, gooien plaatselijke hulpverleners vanaf de auto enige broden of zakken rond, waarna de rest gewoonlijk in handen valt van een reeks jonge sterke kerels, die bij de uitgang van het kamp steeds als hongerige wolven wachten op de volgende auto. Vrouwen en kleine kinderen zijn meestal afhankelijk van wat ze van de jongens en mannen krijgen toegestopt. Diegenen die niet over een sterke man in de familie beschikken zijn sterk in het nadeel.

Infrastructuur Ruim twee weken na de komst van de vluchtelingen is er nog steeds nauwelijks enige infrastructuur te bekennen in de kampen. De meest voor de hand liggende instantie om hiermee een begin te maken zijn de Turken, maar die hebben het wat dat betreft tot nu toe laten afweten.

Onder de vluchtelingen doen zelfs hardnekkige verhalen de ronde dat Turkse militairen hulpgoederen confisqueren om die vervolgens zelf te verkopen.

Essentieel is dat de vluchtelingen worden geregistreerd en dat er op grond van die gegevens een distributiesysteem wordt ingevoerd, dat niet de sterken bevoordeelt boven de zwakken. Nu al is duidelijk te zien wie er de laatste dagen wel heeft gegeten en wie niet. Sommigen zien er sterk en gezond uit, anderen uitgemergeld en ziekelijk.

Nu hun toestand een klein beetje is verbeterd, hebben de vluchtelingen meer tijd om na te denken over hun toekomst. “We willen allemaal heel graag weg van hier. Konden we bij voorbeeld maar naar Diyarbakir, dan zouden we eindelijk weer eens inkopen kunnen doen”, zegt Ali Hassan Ali.

De toekomst voor de vluchtelingen ziet er zeer somber uit. Naar Irak terug durven ze niet, zolang Saddam Hussein daar de dienst uitmaakt.

Dat Westerse landen bereid zijn om de Koerden in groten getale op te nemen, zoals velen in de kampen hopen, is onwaarschijnlijk. “De wereld moet ons helpen,” zegt de hoestende ingenieur die anoniem wil blijven. “Wat we nodig hebben zijn niet alleen mooie woorden zoals we die van president Bush hebben gehad, maar daden.”