Tiel: Flipje vertrekt, Sony komt

Flipje dreigt Tiel te verlaten. De emoties lopen hoog op: het jam-mannetje bepaalde vele decennia de identiteit van Tiel. Het effect voor de werkgelegenheid valt mee. Flipje gaat, Sony komt.

De gepensioneerde chef van de boekhouding C.P.H. Soetens woont al 34 jaar naast de fabriek van de Koninklijke Maatschappij De Betuwe in Tiel. Vanaf de overloop naar de eerste verdieping heeft men een goed uitzicht op het indrukwekkende bedrijfscomplex van vijftien hectare, dat zich midden in de stad uitstrekt tussen de Grotebrugse Grintweg en de Waaldijk.

De geluiden en de geuren van de fabriek drongen van oudsher in het huis van het echtpaar door. In de jaren vijftig waren dat het geklepper van de klompen van de arbeiders als ze door het Nachtegaalstraatje naar hun werk liepen, de hoge toon van de fabrieksfluit en de weee lucht van gekookte bieten, die werden gebruikt om de appelstroop prima rinsch te maken.

Tegenover het huis lag een fabriekshal waar in het oogstseizoen tientallen vrouwen met witte kapjes op het hoofd de kersen - die toen nog uitsluitend uit de Betuwe kwamen - ontdeden van hun steeltjes.

“De echte Tielenaren vinden het erg als Hero de fabriek naar Breda zal overplaatsen. Flipje van Breda: dat klinkt toch zeker niet”, zegt Soetens.

Tiel is in rep en roer sinds eigenaar Hero met de gedachte speelt om de activiteiten van de jamfabriek van De Betuwe naar de hoofdvestiging in Breda over te brengen. Flipje heeft altijd de identiteit bepaald van het 32.000 zielen tellende industriestadje. Het verlies van Flipje lijkt dan ook vooral een kwestie van sentiment. Er werken nog maar honderd mensen. Statistieken tonen dat het met de lokale werkgelegenheid de goede kant opgaat. “Als dit tien jaar geleden was gebeurd, hadden we ons meer zorgen gemaakt”, zegt H.C. Smits, chef economische zaken van de gemeente Tiel.

Tiel heeft dezelfde transformatie doorgemaakt als andere industriele plaatsen in Nederland. Verouderde industrieen en bedrijfstakken verdwenen of zijn sterk vermagerd op de been gebleven. Nieuwe, hoogwaardige bedrijvigheid is er voor teruggekomen. In Tiel waren het De Betuwe, Daalderop (huishoudelijke apparatuur), Maasglas en de tinfabrieken die decennia lang de economische basis vormden. Bedrijven die in de jaren zeventig en begin jaren tachtig volop deelden in de economische malaise.

Tiel bereikte hoge werkloosheidspercentages. De komst van nieuwe ondernemingen heeft het arbeidsresidu uit de crisisjaren grotendeels geabsorbeerd. De PTT begint nog dit jaar met de bouw van een logistiek centrum en Sony heeft een optie op een groot stuk industrieterrein.

Van de totale beroepsbevolking van tienduizend mensen, werken er nog altijd 2.200 in de industrie. De zakelijke en verzorgende dienstverlening hebben ongeveer eenzelfde aandeel in de werkgelegenheid. En bovendien: veel Tielenaars - drieduizend - pendelen dagelijks naar economische centra als Utrecht.

Tegen de achtergrond van de oplevende regionale dynamiek leveren de werknemers van De Betuwe strijd om het behoud van hun bedrijf. Buiten de fabriek praten twee arbeiders van De Betuwe in witte overalls - met fruitvlekken - met een oud-werknemer. De afbeelding van de legendarische Flipje, waarmee Tiel nationale en internationale faam verwierf, is verbannen naar een zijgevel.

“ De sfeer in de fabriek is belabberd”, zegt een van de twee. “Er is sinds die overplaatsingsplannen bekend werden, helemaal geen bal meer aan. Het was hier toch al niet meer zo leuk. Sinds de jaren zeventig hebben we de ene reorganisatie na de andere over ons heen moeten laten gaan.”

Pag. 17:

'Wat hebben we aan een Flipje zonder mensen?'

Een paar meter verderop staat een groepje mannen en vrouwen met boodschappentassen in de hand te wachten totdat de fabriekswinkel opengaat. Daar kan men als (oud-) personeelslid produkten uit de fabriek tegen sterk gereduceerde prijzen krijgen: een pot 'extra jam'

voor 65 cent. Een vrouw: “Laatst was ik in Joegoslavie met vakantie. Daar vroegen ze waar ik vandaan kwam. Ik zei: uit Tiel. Waar ligt dat, vroegen ze. Toen ik zei dat het de stad van Flipje was, wisten ze het ineens.”

Op 26 april is er een vergadering van de raad van commissarissen en de aandeelhouders van Hero. Dan valt wellicht het doek over Flipje van Tiel. Herodirecteur H.H.W. Schiffers wil niets meer kwijt nadat er zoveel opschudding is ontstaan over de dreigende overplaatsing. Ook voorzitter A.P.H. Romijn van de ondernemingsraad doet er in overleg met de directie het zwijgen toe. “Er is de laatste weken teveel negatieve publiciteit geweest.” Enkele weken geleden zei de ondernemingsraad desnoods voor het behoud van De Betuwe in Tiel te willen vechten. Bestuurder A. Haubrich van de Industriebond FNV in Houten: “Hero zal met heel goede argumenten moeten komen willen we ons verzet tegen de overplaatsing niet tot het uiterste voeren. Vanaf het moment dat De Betuwe werd overgenomen door zijn ergste concurrent Hero hebben de mensen in Tiel zich ten volle ingezet om toch van het bedrijf een goede onderneming te maken. En nu zou men ze op deze manier willen straffen”?

Coenraad Soetens (66) was bijna 39 jaar in dienst van De Betuwe als chef van de boekhouding en van financiele zaken. Hij houdt - sinds hij in 1985 met de Vut ging - de geschiedenis van de onderneming bij.

Zijn tafel is bedekt met oude folianten, kranteknipsels, een advertentie in kleur uit het Handelsblad van 1939 voor Rijno-tomatensap, een oorkonde uit 1952, toen De Betuwe koninklijk werd en de notariele acte van 1888 waarbij het bedrijf officieel werd opgericht hoewel de familie Baesjou in 1885 al met de produktie was gestart.

Op de tafel liggen ook de stroken met Flipjesverhalen. Die kon men - evenals de Flipjesboeken - krijgen door zegels te sparen, die op potten, blikken en flessen zaten. De stroken kon men afdraaien in de Flipposcoop. Dat was een kartonnen gevalletje in de vorm van een mini-theater. Daarvan is nog een exemplaar te zien in het museum van Tiel. De firma had er bij de introductie in 1936 een miljoen stuks van ingeslagen tegen een inkoopprijs van 12,5 cent per stuk. Nu zouden verzamelaars er al 650 gulden voor over hebben.

Halverwege het gesprek komt er een beeldje van het fruitbaasje met een koksmuts op het hoofd op de proppen. Zijn ledematen bestaan uit vruchten. “Sommigen zeggen dat het bessen of kersen zijn”, zegt Soetens, “maar het zijn toch echt frambozen.” Hij pakt een boekje: “Hoe Flipje geboren werd”. Het is het verhaal van een frambozestruik, waaraan een schitterende vrucht verschijnt die door een 'zomerfee' wordt omgetoverd tot Flipje van Tiel.

De naam Flipje is vermoedelijk ontleend aan Philippe van Alfen van het gelijknamige Amsterdamse reclamebureau. Philippe werd door intimi Flip werd genoemd. Het bureau had opdracht gekregen een beeldmerk te bedenken, waarmee De Betuwe zich kon onderscheiden van andere jamfabrieken in de fruittuin van Nederland. Die fabrieken maakten op slinkse wijze gebruik van de naam van De Betuwe. De toenmalige directeur van De Betuwe F.M.P. Gouverne zou tegen Van Alfen hebben gezegd: “Noem je manneke voor mijn part maar Flipje.”

Sindsdiens verschenen er vele honderden Flipjesboeken, geschreven door het echtpaar Ten Harmsen-Van der Beek. Ze hadden vaak een moraliserende strekking: “Flipje straft het kwaad” of “Wie een kuil graaft voor een ander”.

Voor het verschijnen van de Flipjesboeken, zo blijkt uit de documentatie van Soetens, werden er al andere boekjes uitgegeven: minstens 226 titels, zoals 'Jongeheertje Perzik kreeg de hik'. Dat moet in de jaren twintig zijn geweest. Voor vele honderdduizenden kinderen werden Flipje, Juffrouw Schaap, Jasper Aap en Flapoor de Olifant vertrouwde figuren.

Nu Flipje uit Tiel dreigt te verdwijnen zijn er plannen voor een toeristische route door de stad langs beeldjes van de figuren. Zelfs wil men voor Flipje een standbeeld oprichten. Want zegt wethouder P.

Stolk: “Dat manneke heeft voor onze stad een emotionele, historische waarde. Je zou er de zuigkracht van de binnenstad mee kunnen vergroten.” Maar het liefste zou Stolk De Betuwe voor Tiel willen behouden, want “wat hebben we aan een Flip zonder mensen?”.

Stolk werkte - totdat hij in 1986 wethouder werd - dertien jaar als manager bij De Betuwe. Er waren toen nog zo'n achthonderd mensen plus nog eens tweehonderd seizoenarbeiders in dienst. Toen hij weg ging, had Stolk drie ingrijpende reorganisaties meegemaakt, die het personeelsbestand tot honderdvijftig terugbrachten. Nu werken er nog tachtig mensen.

“Half jaren zeventig kwam hier de klad erin”, zegt Stolk. In de drankenindustrie deed de tetraverpakking haar intrede. De Betuwe, dus Unilever, weigerde aan die mode mee te doen, want, zo werd er gezegd “kwaliteit doe je toch zeker niet in karton”. Maar andere fabrieken, zoals Riedel, deden het wel. “Daarmee heeft Unilever toen de boot gemist. We waren gewoon te duur geworden met onze sappen.” De produktie van de sappen is inmiddels naar Breda overgebracht. In Tiel wordt nog jam gemaakt: 10.000 ton per jaar, waarmee 35 procent van de Nederlandse markt wordt voorzien. Verder nog stroop en de puddingsaus Tova. De vruchten worden ingevoerd uit Italie, Spanje en Bulgarije.

Stolk: “Fruit uit de Betuwe is veel te duur geworden.” Toen Stolk ongeveer drie maanden wethouder was, hoorde hij dat Hero De Betuwe zou gaan kopen. “Ik dacht: er moet een vergissing in het spel zijn. Hero, die altijd onze concurrent was geweest, deed het veel minder goed dan De Betuwe, dus ik meende dat men bedoelde dat De Betuwe Hero zou overnemen.”

Stolk begrijpt niks van de overplaatsingsplannen. “Hier wordt winst gemaakt. Er werken goed gemotiveerde mensen. Dat is altijd zo geweest.

Toen we onder Unilever met Calve en Royco samenwerkten lag het ziekteverzuim op zeven procent en dat was tien procent minder dat bij Calve en zelfs zeventien procent minder dan bij Royco.''

Drie jaar geleden, aldus Stolk, kwamen de heren van Hero ongevraagd bij hem binnen. “Ze zeiden: we willen ergens opnieuw beginnen. Heb je misschien vijf hectare grond voor ons. Ik dacht toen: die willen de hele zaak van Breda hierheen overplaatsen. Daarna kwamen ze terug en zeiden: we hebben het nog eens bekeken, maar we blijven toch maar gescheiden opereren. Daarna werd het steeds glibberiger. Totdat ik begin dit jaar uit de pers moest vernemen dat de hele handel naar Breda wordt overgeplaatst. Echt netjes kun je dat niet noemen.”

De 65-jarige W. Saarloos, die totdat hij in 1986 met de vut ging 31 jaar bij De Betuwe werkte en tien jaar voorzitter was van de ondernemingsraad, trof bij zijn indiensttreding in 1955 'feodale'

toestanden aan. Hij was als stoomwerktuigkundige werkzaam geweest in onder meer de havens van Rotterdam en Amsterdam en kreeg bij De Betuwe opdracht de produktielijnen grondig te moderniseren.

“We moesten automatiseren en moderniseren. Toen De Betuwe nog zelfstandig was, draaide de zaak goed. Toen Unilever het bedrijf in 1961 opkocht, hadden we hier een goed renderende verkooporganisatie.

Maar deze ging naar Calve in Delft, waar ze er niks van bakten. Daardoor werd er te weing aandacht besteed aan ons eigen produkt.

Sinsdien is het bergafwaarts gegaan. In het begin van de jaren zeventig kwam er een directeur, die weinig verstand had van goed management. Weliswaar was het sociaal beleid onder Unilever uitstekend, maar in de fabriek liepen teveel mensen rond.

“Na de overneming door Hero is”, aldus Saarloos, “dank zij de directie en de ondernemingsraad het aandeel van De Betuwe op de jammarkt opgevoerd tot 27 procent, terwijl die van Hero terugliep tot 7 procent. De lonen bij ons lagen gemiddeld 17 procent hoger dan bij Hero, maar toch werd er hier winst gemaakt. Toen de Zwisterse directeur van de Hero International, Strump, zag dat de jamfabriek in Breda wel eens van de kaart kon worden geveegd, besloot hij De Betuwe te kopen. Hij heeft toen gezegd: we hebben niet de bedoeling om De Betuwe te sluiten. Wat er nu dreigt te gebeuren is onbegrijpelijk. Je gaat toch niet iets dat goed is afbreken. Ik wil er niet emotioneel over doen, maar Flipje hoort bij Tiel.”

Voor Tiel is, zoals gezegd, uit een oogpunt van werkgelegenheid het vertrek van De Betuwe geen ramp. Tiel - dat aan het spoor, de snelweg A-15 en aan de Waal en het Amsterdam-Rijnkanaal ligt en zichzelf wel eens 'Klein Rotterdam' noemt - kan de bedrijfsterreinen niet bijgesleept krijgen. Het werkloosheidspercentage, dat in het begin van de jaren tachtig nog op 19,2 procent lag, is teruggelopen tot 6,5 procent. De nieuwe bedrijven op het industrieterrein Kellen zijn voornamelijk kleinschalig en houden zich vooral bezig met handel en distributie. “Het gaat ons dus goed maar ”, aldus Stolk, “dat betekent niet dat we zeggen: laat De Betuwe maar vallen.”