PvdA heeft misplaatse visie op samenleving

“Voor mijn linkse vrienden, wier idealen ik deel, in de hoop dat we het ook eens kunnen worden over de manier om ze te bereiken.” Zo begint de Peruaanse ondernemer-schrijver De Soto zijn indrukwekkende boek over armoede in de Derde Wereld. Met diezelfde woorden zouden ook veel Nederlanders hun suggesties kunnen aanbieden aan de Partij van de Arbeid.

Want hoe hoog zijn niet de idealen, vervat in het beginselprogramma uit 1977: solidariteit met de bevolking van de Derde Wereld; solidariteit met de onderdrukten en achtergestelden in de eigen samenleving; solidariteit met de toekomstige generaties en een samenleving waarin vrijheid en gelijkheid gewaarborgd zijn.

Maar hoe fantasieloos en bang is de dagelijkse politieke praktijk. De malaise gaat dieper dan de presentatie van het beleid; dat hebben ook voorzitter Marianne Sint en partijleider Wim Kok begrepen. Kok wil nu “heldere en scherpe keuzes” gaan maken en onderdelen van het sociaal stelsel zeer kritisch bezien. Sint wil een doorbreken van de gesloten partijcultuur, “opdat er meer ruimte komt voor de vorming van ideeen”. Dat is zo ongeveer de stand van dit moment: harde keuzen en nieuwe ideeen.

Maar dan vind ik een oud knipsel van fractieleider Thijs Woltgens die in september 1987 verklaart: “als een werkloze passend werk weigert, verspeelt hij het recht op een uitkering”. Drieenhalf jaar geleden waren er dus ook al nieuw-flinkse uitspraken.

Tot nog toe zijn de kiezers er niet van onder de indruk. Het is essentieel voor de PvdA goed na te gaan wat daarvan de oorzaak is.

Hier zijn de vier mogelijke verklaringen: de kiezers geloven Woltgens en Kok niet, wanneer zij spreken over 'harde keuzen'; de kiezers geloven wel in de oprechtheid van Woltgens en Kok, maar hebben weinig hoop dat de PvdA als partij die harde keuzen wil maken; de kiezers rekenen op een nieuwe koers van de PvdA, maar zijn het daar niet mee eens of - ten slotte - de kiezers kunnen niet meer koud of warm worden van wat de PvdA naar voren brengt.

De eerste hypothese - niemand gelooft Woltgens en Kok als zij spreken over striktere uitvoering van de wetten voor de sociale voorzieningen - moet worden verworpen. Nog maar een paar maanden geleden kreeg de sympathieke fractieleider van de parlementaire pers de accolade 'politicus van het jaar' en Kok treft allerlei kritiek, maar niet dat hij een huichelaar is. Ook de derde verklaring - de kiezers zijn juist tegen nieuw-flinks - snijdt geen hout. Als de kiezers geen prijs zouden stellen op striktere naleving van de sociale wetten, had niet de PvdA maar de VVD de grote verliezer moeten zijn van de verkiezingen. Maar de VVD gaat juist vooruit; de PvdA zou veel kunnen leren van het herstel van de VVD onder Bolkestein, als de Volkskrant en Vrij Nederland tenminste in staat zouden zijn om primitieve kritiek ad hominem te overstijgen.

Twee verklaringen blijven over: Of Woltgens en Kok hebben weinig kans om hun nieuw-flinkse ideeen door de partij te krijgen, of de PvdA laat de kiezers koud. De waarheid is waarschijnlijk een combinatie van beide factoren, waarbij uiteindelijk de laatste - desinteresse in de PvdA - de bepalende is. Als de partij duidelijk wist te verwoorden hoe haar idealen leiden tot een visie op Nederland in Europa, dan zou het ook makkelijker zijn voor Woltgens en Kok af te rekenen met partijgenoten die sinds het kabinet- Den Uyl niets meer geleerd hebben. Precies omdat de PvdA niets kan aanbieden op het cruciale niveau tussen de abstracte idealen en de praktische beleidssuggesties, kunnen de tegenstanders van Woltgens en Kok binnen de partij hun verzet volhouden.

De partijleiding wil ons nu doen geloven dat het dode hout in de PvdA moet worden gekapt in gewesten en afdelingen. “Minder macht voor het middenkader?”, vraagt de journalist van Trouw “Zeker”, antwoordt voorzitter Sint. Maar hoe staat het dan met de opvattingen van de volgende vooraanstaande sociaal-democraten op het essentiele punt van de sociale voorzieningen en de werkgelegenheid? Zo stelden Paul Kalma (directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA) dat “arbeidstijdverkorting een ideale oplossing blijft” en J. Draijer (CAO-coordinator van de FNV) dat “een belangrijk deel van de oplossing in herverdeling van werk, een vierdaagse werkweek is gelegen”. Dat zijn geen citaten van tien jaar geleden, maar uitspraken van de laatste maanden. In plaats van een radicale hervorming van ziektewet, WAO en arbeidsvoorziening, tamboereren zij op de versleten trom van de wettelijke ATV.

Nog machtiger in de top van de partij is Frans Leijnse, vice-voorzitter van de fractie in de Tweede Kamer en eerste woordvoerder daarvan voor sociale zaken en werkgelegenheid. Hij schreef een proefschrift over het bevorderen van deeltijdarbeid en concludeerde: “Met name zou onderzocht moeten worden hoe de functionarissen van middelbaar en hoger niveau tot een ruimere toepassing van deeltijdarbeid kunnen worden gebracht. In de deeltijdplannen op bedrijfsniveau zouden deze groepen uitdrukkelijk aan de orde moeten komen.” Als dat Leijnses wetenschappelijk afgewogen werk is, hoe zullen dan zijn normatieve beschouwingen klinken!

Kalma, Draijer en Leijnse zijn geen middenkaders uit de gewesten die vergaderen over lokale en regionale zaken. Nee, ik citeer hier drie sleutelfiguren in PvdA en vakbeweging die hun niet geringe invloed inzetten voor wettelijk verplichte arbeidsduurverkorting. Nog een keer Nederland als 'gidsland', totdat al onze grote bedrijven hun research en development overplaatsen naar landen waar niet alleen politici zelf mogen uitmaken hoeveel uur per week ze werken.

In Engeland heeft Neil Kinnock na jarenlange inspanning afgerekend met elementen in de Labour-partij die succes bij de verkiezingen blokkeerden. Eerst verwijderde hij ondemocratische extremisten; daarna herschreef hij eigenmachtig de defensieparagraaf in het partijprogramma. Of dat voldoende is om een verkiezing te winnen staat nog te bezien; in ieder geval vond hij het noodzakelijk om zijn eigen gezag te vestigen.

Wat heeft Wim Kok gedaan om zijn autoriteit in de PvdA te onderstrepen? Het is zo langzamerhand makkelijk om nog eens te verklaren dat werklozen niet alleen rechten maar ook plichten hebben.

Dat is zo vaak gezegd, en bovendien staat het in de wet. Moeilijker is het Kalma of Leijnse te corrigeren.

Wil de PvdA geloofwaardigheid herwinnen, dan moet het partijbestuur ophouden de schuld te geven aan anonieme partijkaders in de gewesten.

De fout zit in de top bij de sociale planners die nog steeds hopen op wettelijke arbeidstijdverkorting als panacee voor alle problemen op onze arbeidsmarkt. Terwijl geen land ter wereld met succes langs de weg van wettelijke arbeidstijdverkorting de arbeidsmarkt heeft verbeterd, blijven zij pleiten voor de 32- of 25-urige werkweek.

Zo'n misplaatste visie op de samenleving blijft bestaan, omdat een overtuigende vertaling van de idealen van de partij ontbreekt. Aan de ene kant is er het beginselprogramma dat oproept tot solidariteit met de derde wereld en met de achtergestelde landgenoten; anderzijds zijn er ministers en Kamerleden die in de geheimtaal van de insiders spreken over “bestendiging in de verhouding actieven-niet actieven”.

Het grote gat daartussen blijft bestaan; dat is mijns inziens het manco in de PvdA. Om die reden volgt hier een gebrekkige poging om de idealen van de partij te vertalen in een visie voor 1991. Een beroepspoliticus moet dat beter kunnen en ik zou wensen dat hij het ook deed. Want politiek zonder visie en retoriek kweekt opportunisten binnen de partij en desillusie daarbuiten, wat aardig de situatie beschrijft waarin de PvdA zich bevindt.

Daarom is het enige juiste startpunt het ideaal van solidariteit uit het beginselprogramma. In ieder geval moet dat betekenen solidariteit met de mede-Europeanen in Oost-Europa. Overal waar die het communisme afdanken en een vrije economie invoeren, hebben ze recht op tenminste evenveel steun als wij destijds ondervonden van de Marshall-hulp. In plaats daarvan schermt de Europese Gemeenschap zich af tegen importen van voedsel, staal en kleding uit Oost-Europa, precies de goederen waar die landen een relatief voordeel in hebben. Echter, zonder vrije toegang tot onze markten maken Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije en Bulgarije weinig kans op een gezonde markteconomie.

De EG maakt nog geen aanstalten om de nieuwe democratieen uit te nodigen en dus is het des te urgenter dat Nederland waar mogelijk zelf solidair is. Onze landbouwers kunnen advies geven, de agrarische industrie kan joint ventures aangaan en onze vervoerssector - de sterkste in Europa - kan helpen bij verbetering van de logistiek.

Minister Pronk moet daarbij voorop lopen, maar om onduidelijke redenen lijkt het alsof hij niet in staat is de historische kansen in Oost-Europa te benutten. Een EG die zich ontwikkelt tot een vrijmarkt voor heel Europa laat de wind van de concurrentie harder waaien.

Uiteindelijk is concurrentie voor ons kleine, handeldrijvende land een bron van welvaart, maar dat vereist een zo breed mogelijke inzet van al onze talenten.

Daarom is juist de PvdA met Planbureau-directeur G. Zalm tegen corporatistische regels, zoals het verbindend verklaren van CAO's, die het nieuwe bedrijven moeilijk maken. Daarom is vanzelfsprekend de PvdA voor discipline in de scholen met sancties - ook financieel - tegen leerlingen en ouders die het onderwijs niet serieus nemen. Daarom is vooral de PvdA voor steun aan werklozen bij het - waar nodig - volgen van een dagstudie. Daarom is uitgerekend de PvdA voor lagere belastingen en premies, zodat het minimumloon naar beneden kan en er meer werk komt voor de laaggeschoolden.

Daarom is natuurlijk de PvdA voor differentiatie van premies in ziektewet en WAO per bedrijf, zodat alle werkgevers zich maximaal inspannen om iedereen aan het werk te houden. Een politiek, kortom, die Nederland zo sterk mogelijk maakt, zodat wij onze solidariteit kunnen waarmaken.

In de Middeleeuwen verbond de Hanze ons met Dantzig, Koningsberg en Riga. Tweehonderd jaar geleden reisde Mozart vanzelfsprekend van Den Haag naar Wenen, Praag, Leipzig en Berlijn. Nog korter geleden bloeide de literatuur nergens meer dan in Rusland. En nu zouden wij in kortzichtig egoisme ons afsluiten voor de medeburgers met wie wij altijd al geschiedenis, kunst en godsdienstige traditie deelden en sinds kort ook weer onze democratische staatsvorm? Daarom is niets zo urgent als een vitale economie die open kan staan voor invoer uit Oost-Europa en helpt bij het herstel van milieu en gezondheid zo dicht bij onze grens.

Zo zou ik het ideaal van solidariteit vertaald willen zien naar een krachtig beleid in het binnenland. Als de PvdA maar weer een visie heeft op wat anno 1991 echt belangrijk is, dan vormt die partij een essentieel tegenwicht tegen een VVD die nog meer verwacht van vrije marktwerking en eigen initiatief en een CDA dat voorzichtiger wil zijn met de bestaande instituties en tolk is van het conservatieve electoraat in de goede zin van het woord.

Drie hoofdstromingen met elk een eigen bestaansgrond. Natuurlijk staat de PvdA met haar ideaal van solidariteit voor een van die drie. Maar dan mag er niet zo'n groot gat zijn tussen ideaal en werkelijkheid.