Een en ander

Het blijft tobben met de Nederlandse identiteit. Zo juist hebben ze er weer eens een openbaar debat over gehouden, met enkele historici, een sociaal-antropoloog, vertegenwoordigers van minderheden en de verplichte intellectueel zonder bindingen. Opnieuw kwamen ze er geen van allen uit.

Misschien is de eeuwige wederkeer van de openbare discussie over de Nederlandse identiteit wel de identiteit van de Nederlanders.

Ze weten dat ze anders zijn dan de rest van de wereld, maar ze zijn er huiverig voor gezamenlijk anders te zijn. Ze hebben weet van hun sektarisme, van hun individualisme, van het feit dat ze eerder aanbidders van het Woord zijn dan van het Symbool. Maar met dezelfde sektarische inslag, met hetzelfde 'zoveel hoofden, zoveel zinnen', met dezelfde praatcultuur en beeldenstorm gaan ze de kwestie van hun identiteit te lijf. Logisch dus dat de discussie over 'de' typische Nederlander nooit een duidelijk resultaat zal opleveren.

De Nederlanders willen er graag zijn als Nederlander, maar tegelijkertijd zouden ze ophouden Nederlander te zijn zodra ze tot een consensus kwamen over wat hun Nederlanderschap precies inhield.

De Nederlander en zijn identiteit, het is het verhaal van de slang die in zijn eigen staart bijt. Het verhaal van de kip en het ei. Het verhaal van de kwadratuur van de cirkel.

Neem hem zijn gebabbel over zijn identiteit af, en hij is zijn identiteit kwijt. Het is met de Hollandse identiteit als met de Hollandse God, beide bestaan, geen die daar onder de waterspiegel aan twijfelt, maar beide zijn ze Onzienlijk en een onuitputtelijke bron voor exegeten en zendelingen. Voor koffiedikkijkers en sceptici. Voor rechtzinnigen, afvalligen en alle variaties van artikel-zoveel, vrijgemaakt en alternatief die zich daar tussenin bewegen.

De enige nadere specificatie van zijn identiteit die, als een soort passe-partout, voor de Nederlander zelf onveranderlijk komt bovendrijven, ook in het recente debat weer, is zijn tolerantie. Een term waarmee men het onbenoembare durft te benoemen, een oneerbiedige waaghalzerij die als vanzelfsprekend om een afstraffing vraagt. Om een openbare boetedoening.

De een wijst er dan op dat de Hollandse tolerantie niet veel meer is dan een door de nood afgedwongen pragmatisme. Een ander 'zou zelfs verder willen gaan' en suggereert dat onze tolerantie maar een dun laagje vernis op ons eikehouten superioriteitsbesef is, een kosmetische schaamlap om de kanker van onze onverschilligheid jegens anderen te verhullen, een kurk op een fles met zoutzuur.

Waarna het debat zich toespitst op de vraag of degene die ons dit voorhoudt een onaangename spelbreker is of een man die 'eigenlijk'

gelijk heeft. Het geheel eindigt in een eierdans rondom de ware betekenis van het woord tolerantie, in een zoveelste sessie van schriftverklaarders.

De Nederlandse identiteit, kortom, is voortdurend in de maak. Men bezweert, men verwerpt.

Er is geen land waar men zo vaak hoort verzuchten dat er zo zelden een serieuze discussie ontstaat, met enige duur en diepgang.

Tegelijkertijd haten we de grondigheid en de ernst van de Duitsers. Er is geen land waar men zo vaak hoort klagen over het gebrek aan omgangsvormen en zelfrespect. Tegelijkertijd wantrouwen we de vormelijkheid en de eigendunk van de Fransen.

Er is geen land waar men zo vaak een kreet van verlangen hoort opklinken naar wat minder houterigheid. Tegelijkertijd generen we ons dood bij het aanschouwen van de frivole spontaniteit van de Spanjaarden en Italianen.

Er is geen land waar men zo vaak hoort kankeren tegen de matheid, de middelmaat en de nivellering. Tegelijkertijd steken we graag de draak met de energie, de persoonlijkheidscultus en de drang om zich te onderscheiden van de Amerikanen.

Laten we het er maar op houden dat we een dynamische identiteit bezitten.