'De Koerden hebben geen vrienden, steeds worden ze verraden'

Ongeveer twaalfduizend in Nederland wonende Koerden komen uit Turkije. Zevenhonderd Koerden zijn afkomstig uit Irak en vierhonderd uit Iran. Hoe beleven zij de gebeurtenissen in het grensgebied van Irak? Vandaag het derde deel in een reeks Koerdische portretten: Bachtiar Arif uit Irak.

DELFT, 17 april - Bachtiar Arif (33) heeft er alles voor over om in het grensgebied van Irak en Iran te komen. Daar vermoedt hij tussen de Koerdische vluchtelingen zijn familieleden uit de niet ver van de grens gelegen stad Sulaimanya, die hij al tien jaar niet meer heeft gezien.

“Sinds de Golfoorlog uitbrak heb ik niets meer aan mijn studie kunnen doen. Ik kan mij niet concentreren bij de gedachte dat misschien mijn hele familie wordt afgeslacht.” Hij hoopt met zijn Nederlandse paspoort als medewerker van een hulporganisatie Iran binnen te kunnen.

Hij overweegt ook naar Damascus te reizen, waar meer kansen dan in Nederland zouden zijn om een visum voor Iran te bemachtigen.

Arif, afkomstig uit een Koerdisch gezin met twaalf kinderen, kijkt tegen een onzekere toekomst aan. “Ik kan een grote verantwoordelijkheid krijgen. Als ik in Iran ontdek dat de helft van mijn familie niet meer bestaat, kan ik moeilijk zeggen: ik ga terug naar Nederland. In iedere Koerdische familie zijn slachtoffers, waarom zou dat bij mijn familie niet het geval zijn?”

Tien jaar geleden, tijdens de oorlog met Iran, deserteerde Arif uit het Iraakse leger. Hij keerde van het front naar zijn woonplaats terug en liep vervolgens met vrienden in drie weken tijd door de bergen naar Iran. Daar wist hij - na enkele maanden in een vluchtelingenkamp te hebben gezeten - een vliegbiljet naar West-Europa te bemachtigen. Dat het een biljet voor Nederland was, was louter toeval.

Met zijn gebrekkige Engels meldde hij zich op Schiphol als vluchteling. Maar een jaar later kreeg hij de mededeling dat hem geen politiek asiel werd verleend en dat hij moest vertrekken. Toen hij dat niet deed, werd hij gearresteerd en zat twee weken vast.

Een studentenorganisatie bood echter hulp. Hij kreeg een studiebeurs en mocht als student in Nederland blijven. Twee jaar geleden werd hij Nederlander en hij staat nu op het punt zijn studie werktuigbouw aan een technische universiteit af te ronden.

Met het Koerdische nationalisme heeft Arif zich nooit erg bemoeid. In Iran sympathiseerde hij met een clandestiene marxistische oppositie tegen Saddam Hussein. “Bij het ervaren van de Nederlandse vrijheid stortte mijn marxisme als een kaartenhuis ineen.” Pas sinds de Golfoorlog is de vrijheid van de Koerden zijn grote belangstelling geworden.

“Ik wacht al tien jaar op betere tijden, en nu deze catastrofe”, verzucht hij. Contact met zijn familie heeft hij vrijwel niet gehad.

Hij heeft een keer een brief kunnen meegeven aan een Nederlander die voor zaken naar Bagdad moest. Vorig jaar was het bijna gelukt zijn moeder in Nederland op bezoek te laten komen. Maar de Nederlandse bureaucratie werkte traag en toen alles eindelijk rond was kon het bezoek wegens de inmiddels uitgebroken Golfcrisis niet doorgaan.

Van uur tot uur volgt Arif het nieuws over de Koerden op radio en televisie. Toen de Koerden in Irak in opstand waren gekomen, overwoog hij dadelijk terugkeer naar zijn land. Nu stelt hij vast dat hij terecht even de kat uit de boom heeft gekeken.

Arif vindt dat de Koerden een volk zijn zonder vrienden, dat voortdurend wordt verraden. Tijdens de hele Golfcrisis was hij pro-Amerikaans. “Maar de Amerikanen hadden de Iraakse Republikeinse Garde moeten afmaken en niet, zoals nu gebeurt, het Koerdische volk moeten laten afslachten.”

In beloften van Saddam Hussein gelooft hij geheel niet. “Als de Koerden terugkeren doet hij misschien drie maanden niets, maar daarna zal hij weer als een slang bijten.” Over Nederlandse vredesactivisten is hij giftig. “Ze gaan wel naar vredeskampen in Bagdad, laten zich voor de propaganda van Saddam Hussein gebruiken, maar nu hoor je ze niet. Je hoort ook niets van die duiven van het IKV die zich normaal al opwinden als er een gevlekt hondje over straat loopt.”

Arif kan onmogelijk een reden vinden voor optimisme over de toekomst van de Koerden. “Koerden zijn misschien wat naief. Ze zijn slecht georganiseerd. Ze worden altijd weer bedrogen en keren voortdurend terug naar af.”