Claim voor Nederlands paspoort afgewezen

DEN HAAG, 17 april - De rechtbank in Den Haag heeft vanochtend de eis tot schadevergoeding van 60 miljoen gulden van de NMB en de Nationale Investerings Bank aan het adres van de Nederlandse staat in de zogenoemde paspoortaffaire afgewezen.

De rechtbank concludeert dat de staat niet verplicht is om de financiele schade die de banken hebben geleden te vergoeden. Dat mogelijk ook politieke redenen een rol hebben gespeeld om de samenwerking van de staat met KEP te beeindigen, is volgens de rechtbank niet van belang. “Bij de beoordeling is alleen aan de orde geweest of de staat op juridische gronden aansprakelijk geacht moest worden”, zo stelt de rechtbank. De beide banken worden veroordeeld in de proceskosten en 9.000 gulden procureurskosten.

Een woordvoerder van de minister van buitenlandse zaken zei in een reactie dat “met instemming kennis is genomen van de uitspraak”.

“Deze uitspraak is volgens onze verwachting.” De NMB en de Nationale Investeringsbank hadden vanmiddag geen commentaar. De banken willen eerst kennis nemen van het vonnis. Naar aanleiding van het paspoortdebacle traden de toenmalige minister Van Eekelen (defensie) en de toenmalige staatssecretaris Van der Linden (buitenlandse zaken) af.

Een van de advocaten van de banken, mr. S.L. Buruma, impliceerde in een reactie vanmiddag dat de uitspraak van de Haagse rechtbank verstrekkende gevolgen kan hebben voor andere grote overheidsprojecten.

Pag. 3:

Inzet van de procedure van de banken was de betaling door de staat van de door de banken verleende kredieten van in totaal 60 miljoen gulden aan de KEP-vennootschappen. Deze vennootschappen werden in 1986 opgericht met het doel een aanvraag-, produktie-, en afgiftesysteem voor een nieuw fraudebestendig Nederlands paspoort naar Europees model te ontwikkelen. Eind november 1988 beeindigde de minister van buitenlandse zaken de overeenkomst met KEP.

De rechtbank is in haar vonnis van oordeel dat de staat geen contractuele band met de banken heeft gehad. De staat had alleen een samenwerkingsovereenkomst met KEP. Daarnaast zouden de KEP-vennootschappen meer dan eens uitstel hebben gehad om een paspoortsysteem te ontwikkelen en op te leveren dat aan de vereisten zou voldoen. De rechtbank concludeert dat het ministerie voldoende grond had om in november 1988 de samenwerking met KEP op te zeggen.

Ook toen bleek KEP volgens de rechtbank niet in staat om aan de verplichtingen tegenover de staat te voldoen.

De rechtbank overweegt verder dat de staat bij die opzegging niet verplicht is om met de belangen van de kredietverstrekkende banken rekening te houden, door KEP nog langer de gelegenheid te geven een goed functionerend paspoortsysteem op de markt te brengen. De banken wisten van tevoren welke risico's aan het paspoortproject kleefden, zo stelt het vonnis. Bovendien hadden de banken zich er destijds bij neergelegd dat de staat zich niet voor de KEP-vennootschappen garant wilde stellen.

Een van de advocaten van de banken, mr. S.L. Buruma, kon vanmiddag nog niet zeggen of de banken in hoger beroep gaan. Buruma zei wel dat hij deze uitspraak niet had verwacht. Hij wilde geen direct oordeel over het vonnis uitspreken. “Voor het aantekenen van hoger beroep moeten eerst acht dagen verstrijken. Dat is een termijn voor de partijen om zich te ergeren aan een vonnis. Ik ben daar pas acht minuten mee bezig.”

Tijdens de zitting op 4 maart betoogde Buruma dat het ministerie van buitenlandse zaken wel degelijk aansprakelijk was voor de door de banken geleden schade. Het ministerie zou zelf niet in staat zijn geweest alle wetgeving die nodig was om per 1 januari 1989 het paspoort in te voeren op tijd rond te krijgen. Daarom zou van overheidszijde er alles aan zijn gedaan om KEP te torpederen.

Buruma impliceerde in zijn reactie vanmiddag dat de uitspraak van de Haagse rechtbank wel eens verstrekkende gevolgen kan hebben voor andere grote overheidsprojecten. “Met KEP heeft de regering een moderne constructie gevolgd waarbij een vennootschap wordt opgericht met een bescheiden eigen kapitaal en waarbij banken moeten optreden als geldschieters. De enige zekerheid voor de financiers is de opdracht van de staat aan die onderneming. Dezelfde constructie wil de staat nu bijvoorbeeld toepassen in het tolwegenproject.”