Wie in Peru het ziekenhuis verlaat krijgt thuis weer cholera

LIMA, 16 april - Dr. Liduvina Gonzalez trekt met een potlood een keurig lijntje langs een lineaal. Dan vult zij de cijfers in. Patienten met cholera-achtige klachten: 319; diagnose cholera: 282; ambulante patienten: 209; opnamen: 72; overleden: 1. Dat zijn de cijfers van de tweede week van maart in het grote ziekenhuis Maria Auxiliadora in Lima.

“De computer is overbelast”, zo verontschuldigt de epidemiologe Gonzalez zich voor de kladvelletjes met potloodstreepjes, “maar zo worden de statistieken tenminste bijgehouden. Voor maart deed niemand dat in het ziekenhuis, uit laksheid.”

De administratie lijkt nog het minste probleem voor 'Maria Auxiliadora', dat een belangrijke functie vervult bij de zorg voor de honderdduizenden, zo niet miljoenen inwoners van de sloppenwijken in het zuiden van Lima. Bij de eerste-hulpafdeling stromen de cholerapatienten nog steeds binnen. Mannen en vrouwen, kinderen en bejaarden; zij liggen, zij zitten of hangen doodziek rond. Meestal worden zij geholpen door een familielid dat de fles met infuusvloeistof omhooghoudt. Artsen rennen van de ene naar de andere patient.

Op de cholera-afdeling op de derde verdieping van het ziekenhuis zijn er van de 28 bedden nog maar twee vrij. Assistent-verpleegsters lopen af en aan met ondersteken. Mannen en vrouwen liggen door elkaar op de zalen, gemiddeld voor twee dagen. Daarna is het vloeistofniveau in hun lichaam weer op peil en hebben zij een kuur van tetracycline en andere antibiotica ondergaan. Dan gaan zij terug naar huis, en naar hygienische omstandigheden die in vele gevallen een nieuwe ziekenhuisopname wegens cholera onvermijdelijk maken.

“Het aantal gevallen van cholera is op dit moment stabiel, nadat wij de afgelopen week twee felle oplevingen hebben gehad”, zegt Doris Lituma, onderdirecteur van de afdeling Lima-Zuid van de UDES, de plaatselijke filialen van het ministerie van volksgezondheid. De Nederlandse arts Alexander van Ommen van de hulporganisatie Artsen zonder Grenzen bevestigt dit. “Maar het is een onrustig beeld”, voegt hij eraan toe, “het gaat gepaard met pieken, waarvan ik verwacht dat zij de komende weken wel zullen verdwijnen.”

De meest recente pieken in de epidemie waren volgens de Peruaanse artsen Gonzalez en Lituma regelrecht het gevolg van het televisieoptreden van president Alberto Fujimori, die met een mond vol rauwe vis zijn landgenoten verzekerde dat de consumptie van dit produkt zonder gevaar is. “Nog geen twee dagen later stroomden de patienten weer binnen”, zegt de epidemiologe Gonzalez. Een tweede piek was de paasweek, met zijn traditionele visgerechten.

Van Ommen gelooft niet dat er een rechtstreeks verband is, al laakt hij het televisieoptreden van de president. De vismaaltijd is de president goed bekomen, maar zijn minister van visserijzaken, Felix Canal, duidelijk minder. Halverwege vorige maand werd hij met spoed opgenomen in het militaire hospitaal. Ondanks hardnekkige berichten in de Peruaanse pers dat de minister het slachtoffer van zijn eigen produkt was geworden, luidde de officiele diagnose acute strottenhoofdontsteking. “Onzin”, stelt een Europese diplomaat, “ik weet dat het wel degelijk om cholera ging.”

Intussen heeft de cholera nog een andere minister geveld, zij het in politieke zin. De minister van volksgezondheid, de arts Carlos Vidal Leyseca, moest vorige maand aftreden na een conflict met de president.

Collega's in het kabinet verweten de minister een paniekstemming te hebben veroorzaakt, die onder andere heeft geleid tot een invoerstop van verschillende landen voor Peruaanse produkten. Met name de visserijsector is hiervan de dupe geworden.

Vidals opvolger, Victor Yamamoto, wendde zich echter onlangs via de televisie tot de Peruanen met de mededeling dat “wij allen een oorlog voeren tegen de cholera”. Tegelijkertijd gaf zijn departement de laatste statistieken vrij: 139.461 gevallen van cholera, van wie er 51.526 moesten worden opgenomen, en 963 doden. De arts Van Ommen moet lachen om de precisie van die cijfers. “In het begin probeerden zij de informatie bij te sturen om niet teveel onrust te veroorzaken. Nu lijken ze plotseling overtuigd van de ernst van de zaak.”

Het cijfermateriaal is echter onbetrouwbaar. Volgens artsen en leden van gezondheidscomites in de sloppenwijken sterven veel cholerapatienten thuis en worden zij begraven nog voordat zij als zodanig zijn geregistreerd. Veel patienten zoeken geen medische hulp uit vrees dat zij moeten betalen voor de behandeling, die in principe gratis is. De verhalen zijn legio over medisch personeel dat medicijnen afkomstig uit buitenlandse hulpzendingen verkoopt aan de arme bewoners van de sloppenwijken. Het werkelijke dodental heeft de duizend dan ook allang overschreden.

Vooral in het departement Cajamarca is de situatie zeer ernstig. Van Ommen: “Terwijl we proberen het aantal sterfgevallen tot onder de een procent te beperken, is daar sprake van een mortaliteit van vijf tot soms wel negen procent.” De belangrijkste dragers van de cholera-bacterie zijn water en vis. Maar de onhygienische situatie, het gebrek aan schoon, stromend water, aan riolering, wc's en in vele gevallen aan zeep en aan brandstof om water te koken, biedt alle ingredienten voor een blijvend voorkomen van cholera.

“De cholera is in feite al endemisch, hoewel dat officieel nog niet is toegegeven”, zeggen de artsen Gonzalez en Lituma. Van Ommen bevestigt dat. Artsen zonder Grenzen ging oorspronkelijk uit van een verblijf van drie maanden in Peru in verband met de cholera. Daar zijn nu al drie maanden bijgekomen, maar dat kan volgens Van Ommen oplopen tot een jaar.

De nog altijd kritieke situatie wordt nog versterkt door een staking voor onbepaalde tijd van het zwaar onderbetaalde verplegend personeel in Peru. En dat terwijl er volgens de artsen in het ziekenhuis Maria Auxiliadora al te weinig geschoold personeel is. “Het meeste behoefte hebben we nu aan goede verpleegkundigen”, zegt de kinderarts Augusto Paz Gamarra van het hospitaal.

Alexander van Ommen heeft ook een wensenlijstje, vooral op het gebied van de hygiene. “Er moeten drinkwaterreservoirs komen die met chloor kunnen worden gedesinfecteerd, pit-latrines, een betere riolering en afvalinzameling. Er is behoefte aan materieel en ook aan technische bijstand. Geld sturen naar Peru heeft geen zin, dat blijft toch maar aan de strijkstok hangen.”

Door onze redactie wetenschappen

Cholera wordt veroorzaakt door een bacterie, de cholera-bacil Vibrio cholerae die groeit in levensmiddelen en in verontreinigd water.

Mensen raken besmet door het drinken van ongekookt water, het eten van rauw voedsel of doordat ze de bacil van andere mensen overnemen, direct of op slecht gereinigde toiletten.

Bij de meeste mensen blijft de ziekte beperkt tot lichte diarree. Alleen na een bacteriekweek kan de arts dan met zekerheid vaststellen of het om cholera gaat. Een op de vijf of tien mensen krijgt zeer ernstige diarree - dagelijks ongeveer twintig maal zeer waterige ontlasting - en moet braken. Daarbij gaat veel zout en tot 15 liter per dag aan vocht verloren. De uitdroging en het tekort aan zout worden levensbedreigend als een eenvoudige medische behandeling achterwege blijft. De patient heeft hevige dorst, is hees, lijdt aan spierkrampen, heeft een zwakke, snelle pols en een lage bloeddruk.

Als een voor westerse begrippen eenvoudige medische behandeling achterwege blijft, worden de uitdroging, de uitval van nierfuncties en de hoge zuurgraad van het bloed levensbedreigend. Het bloed verzuurt doordat de zouten die de zuurgraad constant houden (bufferen) zijn verdwenen. Ernstig zieke patienten raken in coma en overlijden daarna snel.

De patient kan gered worden door het toedienen van vocht en zout met een infuus in de bloedbaan. Een eenvoudige maar gesteriliseerde keukenzoutoplossing van de juiste concentratie is al goed.

Beter is het om behalve natrium en chloor ook nog kalium en carbonaten te geven. Vaak moet meer dan vijf liter per dag worden toegediend. Na een paar dagen kan de patient meestal weer zelf drinken en moet dan liters van een zout-suikeroplossing drinken. De genezing kan worden versneld door de bacterie te bestrijden met antibioticum. Vaccinatie tegen cholera is mogelijk. Dat gebeurt met gedood vaccin en biedt dan een half jaar lang enige bescherming. Wie gevaccineerd is en toch besmet raakt, krijgt vaak nog lichte diarree.