Verse graven markeren weg naar Iran

HAJ OMRAN, 16 april - Een eindeloos legioen van verdoemden - de uithongering nabij, volledig uitgeput - strompelt voort over het modderige spoor naar de Iraanse grens. Honderdduizenden Iraakse Koerden ontvluchten de verwoesting van hun vaderland door deze vallei, in een nauw defile door de bergen die uit Irak naar Iran leiden. Ze hebben geen idee of ze zullen leven of sterven. Ze zijn er alleen zeker van dat wat voor hen ligt niet zo erg kan zijn als wat ze achter zich laten.

Er is nog geen enkel teken dat de twee weken geleden begonnen vluchtelingenstroom begint op te drogen. Tot dusverre hebben al honderdduizenden Koerden deze weg afgelegd, in meerderheid vanuit het gebied van Arbil en Kirkuk. Ze vertellen verhalen over aanvallen door Iraakse troepen op burgers en peshmerga's, verzetsstrijders, zonder onderscheid, aanvallen die volgens hen nog doorgaan.

“Ze (de Iraakse troepen) kwamen van drie kanten naar Arbil”, vertelde een man genaamd Moayyad verslaggevers aan de grens het afgelopen weekeinde. “Van een zijde dreven ze de mensen op en de soldaten op de andere twee plaatsen schoten op hen.” “Ik zag ze napalm gebruiken vanuit de helikopters, met mijn eigen ogen”, zei een andere vluchteling. “Vijf dagen geleden in Arbil.”

NIETS

De Iraniers doen wat ze kunnen om de Koerden te helpen en te voeden.

Maar de vluchtelingen hier op deze koude bergpas binnen de Iraakse grenzen hebben niets. De Irakezen hebben het gebied opgegeven. Alleen stapels legervoorraden, waaronder scherpe granaten, geven aan waar ze vroeger een grenspost bemanden. Voor hen die hier te voet passeren is er geen schuilplaats tegen de onophoudelijke wind en regen. Er komen geen artsen uit het grensgebied met Iran om voor zieke vluchtelingen te zorgen.

Hier bij het berggehucht Haj Omran zijn ze misschien nog 30 kilometer van de veiligheid. Maar sommige moeders met kinderen halen niet meer dan vier kilometer per dag. Vluchtelingen sterven aan de kant van de weg, en er is niets behalve onmiddellijke hulp vanuit de lucht dat vele anderen nog kan redden.

Kinderen lopen blootsvoets door de glibberige modder die overal vermengd is met menselijke uitwerpselen. In de bevuilde sneeuw van de steile velden aan de kant van het spoor kamperen mensen die zich niet storen aan de landmijnen die er tijdens de Iraans-Iraakse oorlog zijn gelegd. De stroompjes in de buurt worden gelijktijdig gebruikt als waswater, drinkwater en wc door mensen die te moe zijn om stroomopwaarts te gaan, waar het water nog schoon is.

Een klein eindje verderop weerklinkt plotseling een scherpe plof, die aangeeft dat een van de mijnen is afgegaan. Een half uur later worden we gepasseerd door vier mannen die zich in de richting van de grens haasten met een gewond kind.

Een oude man zakt langs de kant ineen. Vluchtelingen luisteren naar een hartslag, die ontbreekt. In zijn zakken vinden ze geen geld, geen identiteitsbewijs, alleen een handvol bladeren die hij aan de kant van de weg had geplukt om te eten.

Niemand weet zijn naam, maar een man die net hen had opgetrokken komt naderbij. Als hij het gezicht van zijn metgezel ziet, barst hij in geweeklaag uit en rent weg. De anderen bedekken het gezicht van de dode met zijn hoofddoek en laten hem achter. Er is niemand die een graf voor hem kan graven.

Een transportvliegtuig zonder merktekenen vliegt laag over de colonne en veroorzaakt even paniek. Niemand weet of het een Iraaks vliegtuig is of eindelijk de verhoopte 'Amerikani'. Uit het vliegtuig worden vier pakketten afgeworpen - te ver weg voor hen die hier lopen, die machteloos voortsjokken.

Auto's De mensen te voet komen toch nog sneller vooruit dan diegenen in de file gebutste auto's, vrachtwagens en tractors, alle hoog opgetast met goederen, die het grootste deel van het spoor, hier en daar nauwelijks breed genoeg voor een auto, in beslag nemen. Bijna elk voertuig lijkt een ander te slepen, dat met pech te kampen heeft gekregen. Elke paar meters moet om een verlaten en leeggehaalde auto heen worden gemanoeuvreerd, waardoor de snelheid tot ongeveer 100 meter per uur wordt beperkt.

“Mijn moeder is ziek. Wat kan ik voor haar doen”, vraagt een wanhopige man. Hij wijst op een bejaarde vrouw, met dekens omwikkeld, op de achterbank van zijn auto. Hij weet, net als wij allemaal, dat er niets kan worden gedaan.

Veel mensen lijken de worsteling te hebben opgegeven. Zij zitten doelloos aan de kant van de weg of kamperen in het vuil ernaast.

Sommigen ploeteren voort voor de auto's, en reageren niet als die opeens versnellen, te moe of te verward om zich er nog aan te storen.

Een andere man opent de achterklep van zijn bestelautootje. In het duister zitten zijn moeder, zijn vrouw met een zuigeling aan de borst en drie verschrikte kinderen. Op de vloer ligt het lijk uitgestrekt van zijn vader, die dagen eerder door Iraaks vuur was gewond en enkele uren te voren was gestorven. Vluchtelingen proberen hem te overreden zijn vader te begraven, maar hij wil hem niet achterlaten.

Elke paar meters geven verse graven, gemarkeerd door een ruwe steen, aan waar vluchtelingen hun hoop op veiligheid hebben moeten opgeven.

Een kleine schrijn langs de weg is een geliefde plek. In de buurt tellen we 200 kleine stenen.

Een eindje verderop kunnen pershmerga's hun wapens inleveren bij hun eigen mensen voordat ze Iran binnengaan. Elk ingeleverd wapen wordt zorgvuldig geregistreerd. Elke man zweert terug te keren om zijn wapen weer op te eisen en verder te vechten.

Niemand van de vluchtelingen vraagt om hulp voor zichzelf of zelfs zijn eigen kinderen - alleen voor de hele groep. Een vrouw dringt naar voren en smeekt: “Help ons. We sterven hier!” (Reuter)

    • Hugh Pain