Samenwerking SPD en CDU een idylle met dubbele bodem

BONN, 16 april - Regering en oppositie slaan de handen ineen. Eendrachtig gaan zij de problemen in de vroegere DDR te lijf. Eindelijk eindigt die akelige partijenstrijd rondom de “grootste uitdaging in de na-oorlogse Duitse geschiedenis”.

Een consensus-idylle van dit type ging vorige week door de Duitse media, nadat bekend was geworden dat kanselier Helmut Kohl en zijn coalitie van CDU-CSU en FDP warempel bereid waren gebleken om te spreken met de oppositionele SPD over de aanpak van de economische opbouw van de vroegere DDR. Ja, dat Kohl zelfs gemeenschappelijke werkgroepen van regering en oppositie (inclusief de fractie van Bundnis '90, het kleine parlementaire restant van de vroegere Oostduitse burgerbewegingen) had voorgesteld.

Idylle? Het heeft er meer van dat de SPD bij Kohl met grote snelheid in een zelfgemaakte politieke fuik is gelopen. En dat zij zich heeft begeven in een overlegstructuur die haar bindt zonder dat zij zekerheid heeft over de uitkomst. De meerderheid die de regeringscoalitie in Bonn op 2 december 1990 haalde, verandert bovendien al evenmin als het regeerakkoord van de coalitiepartijen.

De SPD-top is onverminderd verdeeld hoe de partij verder moet na haar grote verkiezingsnederlaag op 2 december. Een paar weken geleden klonken, onder meer uit de mond van aanstaand partijvoorzitter Bjorn Engholm, voorzichtige geluiden over de eventuele wenselijkheid van een zo breed mogelijke coalitie om de problemen in de vroegere DDR aan te pakken. Direct volgden dementi's en kritiek van andere SPD'ers, zodat Engholm zich gedwongen zag alsnog uit te leggen dat het natuurlijk niet zijn bedoeling was om via een grote coalitie het “falend regeringsbeleid” te gaan ondersteunen.

Niettemin, partijgenoot Manfred Stolpe, premier van de Oostduitse deelstaat Brandenburg, bepleitte tezelfder tijd voor de Oostduitse wederopbouw meer consensus en minder partijenstrijd. Hij verdedigde de politiek-Kohl zelfs. Dat deed ook de eerste vakbondsman, DGB-chef Meijer, ondanks de betrokkenheid van bonden als IG Metall en OTV bij de organisatie van demonstraties tegen Kohl in Oostduitse steden (IG Metall heeft zich inmiddels teruggetrokken als organisator).

Bij zulke verwarring bij de tegenpartij en gegeven de zeker voorlopig blijvende sociaal-economische misere in Oost-Duitsland, kon het eigenlijk niet verrassen dat Kohl vorige week in Erfurt, bij zijn eerste bezoek aan de nieuwe Oostduitse deelstaten sinds de Bondsdagverkiezingen, een ongewoon vriendelijk signaal gaf. Namelijk dat hij desgewenst graag met de oppositie zou overleggen.

Gisteren zijn de beide werkgroepen ingesteld. Zij worden bevolkt door ministers uit Kohls kabinet (die natuurlijk gebonden blijven aan hun regeerakkoord en hun verantwoordelijkheid jegens de Bondsdag) en zwaargewichten uit de SPD-fractie. Her en der beginnen prominente SPD'ers intussen te beseffen welke risico's aan deze operatie-consensus vastzitten. De regionale partijchefs Schroder (premier Nedersachsen) en Spori (oppositieleider Baden-Wurttemberg) bijvoorbeeld waarschuwden afgelopen weekeinde bezorgd voor “misverstanden” over de verantwoordelijkheid voor het regeringsbeleid (Schroder) en voor “vervaging” van de grenzen tussen regering en oppositie (Spori).

De secretaris van de SPD-fractie, Anke Fuchs, ging nog een paar stappen verder. Wat haar betreft moet de regeringscoalitie de voorstellen die haar partij in de werkgroepen doet snel en onverkort uitvoeren, anders stapt de SPD er weer uit, zei zij gisteren. Voor de zekerheid kreeg partij- en fractieleider Vogel vooraf de verantwoordelijkheid voor zo'n, blijkbaar gevreesde, afloop al toegeschoven. Want, zei zij, de SPD-top heeft wel vooraf met de contacten met Kohl ingestemd maar niet met de instelling van de werkgroepen die de kanselier en Vogel vorige week onder vier ogen overeenkwamen. Kohl, die nooit een liefhebber is geweest van samenwerking met de SPD (ook niet tijdens de grote coalitie van de jaren zestig), zal bij het lezen van de verklaring van mevrouw Fuchs wel even hebben gelachen.