Loftuitingen over Major verstommen

LONDEN, 16 april - Het satirisch televisieprogramma Spitting Image heeft John Major afgelopen zondagavond op een ingewikkelde manier gecomplimenteerd met zes maanden premierschap. De Conservatieve leider werd voor het eerst ontdaan van zijn antenne gericht op ontvangst van boodschappen van Margaret Thatcher “van de achterbank”. Maar daarmee hield de metamorfose niet op. Niet alleen was de Major-pop geheel gespoten in de kleur die zijn persoonlijkheid geacht wordt te hebben - grijs - maar ook kwamen uit zijn mond maar twee geprogrammeerde uitlatingen: “Ja Mr Bush” en “Nee Mr Bush”.

Het gaat - voor het moment - niet goed met de status van John Major.

Die is sinds het einde van de Golfoorlog teruggelopen van de bejubelde positie van populairste premier na Winston Churchill tot die van “zacht ei”, “weifelaar” en “leider van een B-team”. In een klap lijken loftuitingen over de aardigheid, hoffelijkheid en collegialiteit waarmee Major de erfenis van Thatcher beheerde en de oppositie tegemoet trad verkeerd te zijn in schimpscheuten over zijn gebrek aan politieke visie en doortastendheid. De verwijten zijn enerzijds afkomstig van de Thatcher-getrouwe rechtervleugel van de Conservatieve partij en anderzijds van ex-bewindslieden die van jaloezie beticht kunnen worden. Maar het ene woord haalt het andere uit en Major heeft zich genoodzaakt gezien in het parlement eerst ex-minister Nigel Lawson venijnig op zijn nummer te zetten en vervolgens in een tv-vraaggesprek te pogen zijn beleid te verdedigen.

Die poging, afgelopen zondag, is mislukt omdat de interviewer Major de kans niet liet in algemeenheden te vervallen. Wanneer, wilde hij weten, kwam de regering nu met het al weken geleden toegezegde alternatief voor de gehate poll tax en hoe zou dat er uit zien? Wist de regering wel wat zij wilde, want over ruim twee weken zijn er voor de Conservatieven cruciale gemeenteraadsverkiezingen, die gewonnen of verloren zullen worden op juist deze kwestie, en nog wisten de campagnevoerders niet welke boodschap ze aan de deur te verkopen hadden. Major blikte trouwhartig terug: het was allemaal erg ingewikkeld, er werd op brede schaal geconsulteerd en op de uiteindelijke beslissing moesten we allemaal geduldig wachten. Dat optreden werd daarmee tot een ramp in beleidsverkoop-technisch opzicht en verschillende commentatoren vroegen zich gisteren af welke pr-functionaris de premier zo slecht gewapend op de televisiestudio had losgelaten.

Wanneer het kabinet Major deze week uiteindelijk zijn alternatief voor de poll tax (de hoofdelijk omgeslagen heffing voor de financiering van gemeentelijke uitgaven) bekendmaakt, kan dat met recht laat worden genoemd. De inhoud van het alternatief is echter van levensbelang en verdient daarom nauwkeurige afweging.

Pag. 5:

Heeft het toch nog elementen van de poll tax in zich, dan zal de oppositie dat vorstelijk kunnen uitbuiten. Heeft het dat niet, dan zal de rechtervleugel van de partij roepen dat Major de Thatcher-erfenis verraadt door het principe van iedereen-betaalt-mee te verlaten.

In hoeverre de aanvallen op Major, hoe indirect ook, geinspireerd worden door Margaret Thatcher zelf, laat zich alleen gissen. Zij zou, zeggen insiders, teleurgesteld zijn in de door haar gewenste opvolger.

Volgens haar voormalig economisch adviseur, professor Alan Walters, de splijtzwam die Nigel Lawson deed opstappen uit Thatchers laatste kabinet, is Majors nadruk op het belang van een sociale politiek naast een economische politiek “on-Thatchers” omdat die visie alleen maar tot hogere uitgaven voor de staat kan leiden. Thatcher zelf heeft zich, zonder namen te noemen, in Amerika uitgelaten over een neiging in het thuisland “waarbij geprobeerd wordt te ondermijnen wat ik heb bereikt.”

Een duidelijk signaal tegen de manier waarop Major zich althans retorisch tot een verenigd Europa bekeerde, was de manier waarop Thatcher begin dit jaar het voorzitterschap van de anti-federalistische Brugge-groep aanvaardde. Maar welke betekenis moet er gehecht worden aan het feit dat ze niet deed wat andere Lagerhuisleden wel deden en dat voorzitterschap niet neerlegde, toen vorige week uit diezelfde Brugge-groep de geruchtmakende verklaring kwam, dat Major in zijn ideeen over Europa als een “zacht ei”

beoordeeld moest worden? Mogelijk geen, al meldde The Times diezelfde week haar door anderen gehoorde opmerking dat het huidige Britse kabinet niet meer dan “een B-team” was.

Zorgelijk voor de Conservatieve partij is dat de aanvallen op Major de laatste dagen verder lijken te gaan en de schijn van karaktermoord gaan aannemen. Oud-partijvoorzitter Norman Tebbit heeft al gewaarschuwd dat als zijn collega's niet ophouden de premier en elkaar voor rotte vis uit te maken, ze erop kunnen rekenen dat de kiezer ze dat betaald zal zetten. Niet voor niets regeert bij Labour Neil Kinnock met ijzeren hand omdat hij uit bittere ervaring kan aantonen dat uiterlijk vertoon van eenheid tot blijvende voorsprong in de opiniepeilingen leidt. En het is Labour, dat al snel na de aankondiging van de afschaffing van de poll tax met ongemeen succes het woord introduceerde dat nu als lijm aan Major lijkt te kleven: dithering - weifelachtig, treuzelend.

In een BBC-documentaire, gisteravond, deden andere politieke tegenstanders (Labour's tweede man Roy Hattersley, SLD-leider Paddy Ashdown en de veel besproken professor Alan Walters) daar nog eens een schepje bovenop. Had Major eigenlijk wel een diep gevoelde overtuiging, een kader van ideeen waaruit zijn politieke beleid moest voortvloeien? “Wat gaat er schuil achter deze functionaris?” vroeg Walters zuigend en hij vergeleek de premier indirect met een kussen - een voorwerp waarvan de vorm wordt bepaald door de laatste persoon die erop gezeten heeft.