Doodtij in de arbeidsverhoudingen

Het verloop van de onderhandelingen over collectieve arbeidsovereenkomsten bevestigt het sinds 1982 uitgekristalliseerde patroon van de arbeidsverhoudingen in ons land.

Het geeft een stabiel beeld te zien. Op een enkele uitzondering na worden de onderhandelingen vrij wrijvingsloos afgewikkeld. En zelfs waar wel gerommel van stakings- en actiedreigingen wordt gehoord - bij Hoogovens en in de metalectro-industrie- behoort dat tot de normale omgangsvormen die het algemene patroon van betrekkelijke arbeidsrust nauwelijks verstoren. De verwachting van desknndigen dat de ondernemers met hun voorkeur voor decentrale, gedifferentieerde loonvorming een brandhaard naar zich toe zouden trekken (Reynaerts, 1985) is niet door de feitelijke ontwikkeling bevestigd.

De uitkomsten van de onderhandelingen zijn in overeenstemming met de vereiste gematigdheid. Van onverantwoorde loonsverhogingen is geen sprake, laat staan van de vaak zo gevreesde loongolf.

Het 'einde van de ideologie' luidt ook op het gebied van de arbeidsverhoudingen een doodtij in dat een gevoel van verveling kan oproepen. Er gebeurt zo weinig. Alles is zo voorspelbaar, zelfs de al dan niet ludieke acties.

Nu is voorspelbaarheid een kwaliteit die, als het om de verhouding tussen werkgevers en werknemers gaat, allerminst verwerpelijk mag worden genoemd. Integendeel, ze is zelfs een vereiste voor een stelsel dat op consensusvorming berust.

Vooral van de kant van macro-economen wordt tegenwoordig een element in het geding gebracht dat - bij toepassing - ongetwijfeld destabiliserend zou werken. Dat is het voorstel om een eind te maken aan de algemeen verbindend verklaring van collectieve arbeidsovereenkomsten. Die economen lijken de illusie te koesteren dat je de arbeidsverhoudingen daarmee flexibeler kunt maken. Ik heb die opvatting al vaker bestreden. Het moet nog maar eens gezegd zijn dat het systeem van algemeen verbindend verklaring de arbeidsrust verzekert gedurende de looptijd van een afgesloten CAO. Werkgevers behoeven zich in die periode geen zorgen te maken over onrust op het loonfront, of over concurrentie op het gebied van de loonkosten.

Indien om schaarse arbeidskracht moet worden geconcurreerd, valt trouwens nog te bezien of het niet verbindend verklaren van CAO's tot verlaging van het loonpeil zal leiden. Het tegendeel valt eerder te verwachten. Ook als CAO-bepalingen niet gelden voor alle bedrijven in een bedrijfstak zal de overeengekomen verbetering van arbeidsvoorwaarden ongetwijfeld als voorbeeld werken voor niet gebonden ondernemers. Deze zullen immers het geldende loonpeil niet kunnen onderbieden zonder het risico te lopen werknemers kwijt te spelen.

Dit alles sluit natuurlijk niet uit dat de minister van sociale zaken en werkgelegenheid op grond van de Wet op het verbindend en onverbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om bepalingen van CAO's onverbindend te verklaren. Hij kan dat doen als het algemeen belang in gevaar wordt gebracht. De vraag is wat als het algemeen belang moet worden beschouwd. Moet de minister de knuppel uit de zak halen als de koppeling met de sociale uitkeringen of de werkgelegenheid in gevaar komt? De wetgever van 1937 dacht inderdaad aan het laatste geval.

De directeur van het Centraal Planbureau, G.Zalm, zelf een vurig pleitbezorger van de onverbindend verklaring, heeft onlangs gewaarschuwd voor de terugkeer van de loon-prijsspiraal. Stijging van de reele arbeidskosten zou net als in de jaren zeventig weer tot verlies van banen kunnen leiden.

Nog steeds is een gematigde loonontwikkeling het adagium van de economische politiek van ons land.

Het schijnt dat deskundigen van het Internationale Monetaire Fonds een lage-lonenpolitiek voor Nederland thans minder zinvol achten, gezien het hardnekkige overschot op de betalingsbalans.

We hebben hier te maken met een van de constanten in onze economische geschiedenis. De economische politiek van ons land wordt sinds jaar en dag afgestemd op onze concurrentiepositie. Onze grote afhankelijkheid van de uitvoer en onze open economie dwingen ons daartoe. Toch kan een te lang volgehouden lage-lonenpolitiek onze concurrentiepositie in gevaar brengen wanneer daardoor de prikkel wordt weggenomen om het produktieapparaat tijdig te vernieuwen.

Als de projecties van het Centraal Planbureau juist zijn - en er zijn redenen om daar vraagtekens bij te zetten - dan is een algemene loonsverhoging wel het laatste wat we nodig hebben. Te lage lonen zijn op dit ogenblik niet ons grootste probleem. De marges waarbinnen de sociale partners hun onderhandelingsspel kunnen opvoeren blijken opnieuw heel smal te zijn.

Ons loonvormingssysteem lijdt aan een chronisch gebrek aan soepelheid. Een van de voornaamste rigiditeiten is de te grote afstand tussen de bruto arbeidskosten en de netto lonen, de zogenoemde wig. Daarin ligt de oorzaak dat grote groepen werkenden geen kans maken op de arbeidsmarkt. Hun produktiviteit is te laag om hun arbeidskosten goed te maken. Te weinig wordt nog beseft dat hoge sociale lasten, de belangrijkste oorzaak van de grote wig, niet neutraal, dat wil zeggen zonder effect voor de werkgelegenheid, kunnen worden gefinancierd.