Dauwdruppel

Rasa heet ze. Dat is het Litouws voor 'dauwdruppel'. Ze had haar vakantie in Nederland gepland, het eerste westelijke land dat ze bezocht.

Een retourrit van 28 uur per trein waar ze drie jaar voor had gespaard. Op zoek naar in Hongarije gemaakte Nederlandse vrienden, maar hier een beetje tussen wal en schip geraakt. Sedertdien was ze onze gast.

Een meisje van 25 jaar met lange blonde haren, lerares Litouws en doordrenkt van het vrijheidsstreven van de 3,1 miljoen inwoners tellende Baltische staat. Voertaal Litouws, wat we met zijn merkwaardige accenten niet machtig zijn. Labas vakaras, goede avond; laba diena, goede dag. Ze kan zich aardig behelpen met Duits.

We nemen haar mee naar musea. Het valt haar op dat in de trein de mensen lachen en met elkaar praten. In Litouwen zit men zwijgend tegenover elkaar. Nederland vindt ze een kleurrijk land. Vooral Van Gogh wil ze zien, maar de stad Amsterdam beangstigt haar omdat het er zo druk is. Televisiebeelden over de onlusten in Irak jagen haar schrik aan. Bij een kapot geschoten tank draait ze haar hoofd af.

Tanks en lijken heeft ze genoeg gezien, toen de 'zwarte baretten' van het leger van de Sovjet-Unie op 13 januari jongstleden in Litouwen optraden. Daar was ze bij. De man, wiens benen werden vermorzeld onder een Sovjet-tank, toen Litouwers de televisietoren in de hoofdstad Vilnius verdedigden, leek toen op de tv zo ver af; nu is hij dichtbij gekomen. Je probeert haar hoop te geven. Wisten de Oostbloklanden zich uiteindelijk ook niet van het juk van de Sovjet-Unie te bevrijden?

Haar broer heeft (verplicht) gediend in het Sovjetleger. Hij was gelegerd in de buurt van Wladiwostok. Hij heeft na het afzwaaien - geestelijk en lichamelijk gebroken - drie maanden in een ziekenhuis gelegen .

Haar vriend is schilder. Hij had haar twee schilderijen meegegeven om ze in Nederland te verkopen, maar ze zijn haar aan de grens afgenomen hoewel alle papieren in orde waren: een pesterijtje.

Vader en moeder zijn opgewekte mensen. Ze hebben een volkstuintje buiten de stad. Daar verbouwen ze hun groenten. De moeder, zegt ze, is afgeleefd, omdat ze - net als haar vader - dag- en nachtdiensten moet doen in een fabriek: 10 uur per dag. “Zonder arbeidsvreugde.”

Maandloon 400 roebel (een roebel is op de officiele valutamarkt ongeveer 33 cent). We bezoeken Maastricht. Ze ziet er vrouwen van de leeftijd van haar moeder: ze zijn goed gekleed en hebben nog aantrekkingskracht. Droefheid over wat onbereikbaar lijkt. Ze neemt de catalogus van mijn nieuwe auto mee. “Voor mijn vader: daar komen alle buren naar kijken.”

Onderweg naar Leeuwarden zegt ze dat ze graag een kaart van Nederland wil hebben. Ik heb er een van Esso die ik een paar jaar geleden voor twee gulden heb gekocht. Ze blijken nu uitverkocht te zijn. De nieuwe kosten 5.95. Je ziet haar aarzelen, maar ze koopt hem niet. Op meer dan twee kledingstukken is ze niet te betrappen. Ze doet in ons huis telkens de lichten uit, want ze laten branden is verspilling. Haar schoenen zijn tot op de draad versleten. Ze laat ze repareren in ons dorp. De schoenmaker spreekt er schande over: de zolen en hakken blijken met nietjes te zijn bevestigd.

Ze moet weer terug naar haar land, want de schoolvakantie zit er op. Ze wil een plaats in te trein reserveren. Dat neemt veel tijd in beslag. “Zoals in Litouwen”, zegt ze. Wij worden ongeduldig, zij bezit haar ziel in lijdzaamheid. In Leeuwarden heeft ze gezegd: “Voor het eerst in mijn leven voel ik me een gewoon mens. Het is hier alle dagen feest.”

Drie dagen later bellen we haar op om te vragen of ze goed is aangekomen. “Er zijn veel soldaten in de straten. De prijzen voor levensmiddelen zijn sinds eind maart vijf maal zo hoog geworden. We moeten maar zien hoe we het rooien.” Het kraakt door de telefoon.

Haar stem valt weg.