'Birmingham six' in Nederland onmogelijk

In het hoofdartikel 'Nederland-Engeland' (NRC Handelsblad, 6 april) wordt geheel voorbijgegaan aan het bestaan in ons land van een Openbaar Ministerie, vooral bij de vergelijking tussen het Engelse en Nederlandse strafproces waarbij de misser met de 'Birmingham six' wordt aangehaald.

Een rechterlijke dwaling is bij ons ook mogelijk, maar niet zo een.

Wat met de 'zes' is gebeurd is bovendien bepaald geen incident. Veel vaker hebben zich dit soort missers voorgedaan.

In de jaren zeventig hebben wij in Amsterdam bezoek gehad van een Britse 'Royal Commission on criminal procedure' die onderzocht of in Engeland en Wales een systeem moest worden ingevoerd, vergelijkbaar met het in een aantal Westeuropese staten bestaande OM. Die commissie was ingesteld na een aantal gevallen, waarin door de politie het vooronderzoek op slordige en onjuiste wijze was gevoerd. Of daarbij opzet in het spel was, liet men in het midden. Wij hebben die commissie uiteengezet hoe het hier werkt: tussen politie en rechter een OM, deel uitmakend van de Rechterlijk Macht, verantwoordelijk voor het onderzoek in en de vervolging van strafbare feiten.

De commissie had in de andere door haar bezochte landen soortgelijke systemen aangetroffen, maar dacht dat invoering daarvan in de Angelsaksische procedurevorm niet mogelijk zou zijn.

Het is er dan ook niet van gekomen, terwijl juist het bestaan van een OM een zekere waarborg biedt tegen het opbouwen van een strafzaak door de politie op een wijze die met een hechte bewijsvoering en rechtshandhaving weinig te maken heeft. En nu is weer een Royal Commission ingesteld.

Dat het in de Roermondse IRA-zaak tot vrijspraken kwam, was niet het gevolg van 'het geknutsel van kleine zelfstandigen', maar van de hoge eisen die wij aan de bewijsvoering stellen. Dat het OM getracht heeft tot een veroordeling te komen, is niet alleen zijn plicht, maar ook zijn goed recht.

Overigens: van Engelse zijde is waardering uitgesproken voor het degelijke vooronderzoek in de Roermondse zaken en de presentatie daarvan aan de rechter ter zitting.

Dat de drang (van Straatsburg) ter terechtzitting meer accent te leggen op directe confrontatie met de getuigen en minder recht te doen op basis van de stukken alleen, kan niet worden uitgelegd als opschuiven in de richting van procesvoering naar Angelsaksisch model.

Het staat de Nederlandse rechter immers vrij om een dergelijke confrontatie te houden. Dat hij dat weinig doet ligt aan ons veel degelijker opgezet vooronderzoek dan dat van de Angelsaksische praktijk, maar ook omdat hij het toch al erg druk heeft en de zaken niet te lang op afdoening mogen wachten (het principe van 'due process' is in onze Europese Gemeenschap terecht vrijwel heilig). Als 'Straatsburg' wil dat onze rechter ter zitting op ruime schaal het vooronderzoek doet of overdoet, houdt dat in dat wij onze rechterlijke macht aanzienlijk moeten uitbreiden.

De kwestie van de anonieme getuige is een zaak apart; ook de Angelsaksen hebben daarmee moeite (de schietpartij met dodelijke afloop in Gibraltar).

Wij moeten inderdaad beducht zijn niet te veel in de richting van de Angelsaksische procesvoering te worden gedreven, maar dan niet vanwege 'Straatsburg' of redenen zoals aangevoerd in 'Nederland-Engeland'.

Ons OM wordt al geruime tijd te veel opgezadeld met bestuurstaken; het is geen bestuursorgaan, maar een rechtsorgaan. Thans wil men uitvoering geven aan een plan volgens welk het OM een (buiten)-dienst van het ministerie van justitie zal worden en daarmee geen deel meer zal uitmaken van de rechterlijke macht. Het is niet denkbeeldig dat in de beoogde organisatie het OM zich bij zijn vervolgingstaak meer laat leiden door politieke en bestuurlijke motieven dan door overwegingen van rechtshandhaving. Wat het gevolg daarvan kan zijn laat zich raden: ook bij ons een 'zes van Birmingham'.