'Welk machtig heerschap bij Madrid is Meneer Geld?'

MADRID, 15 april - Twintigduizend leden van de FC Real Madrid hebben gisteren uren in de regen gestaan voor ingang nummer dertien van het stadion Santiago Bernabeu, waarachter gestemd werd over het voorzitterschap van hun club.

De sfeer was bezorgd en gespannen onder de gestaag natter wordende supporters. Wie zou er het beste voor kunnen zorgen dat het vaderland nog iets heeft om trots op te zijn in het verenigd Europa? Wie garandeert dat de eerste uren van de werkweek de komende jaren niet hoeven te worden doorgebracht in de schaduw van een weekeinde dat vol droefenis en vernedering is geweest? Wie weet de beste trainer en de beste buitenlandse spelers te strikken? Wie maakt de schande van de laatste maanden ongedaan? Wie is, kortom, de hoogste functie in het Spaanse sportleven waard? Over die vragen werd druk gediscussieerd door de wachtenden, die soms honderden kilometers hadden gereisd om van hun stemrecht gebruik te maken, want 'de koninklijke' heeft evengoed leden in Barcelona, Granada en Gijon als in Madrid.

Omstreeks elf uur 's ochtends bracht Emilio Butragueno - gekleed in trainingspak, omstuwd door bewonderaars en begeleid door verloofde, ouders en aanstaande schoonouders - zijn stem uit. Nadat hij was voorgedrongen, stortte door een onhandige manoeuvre zijnerzijds het gordijn van het stemhokje ter aarde. Dramatisch was dat niet, want de socios wisten allang voor wie de midvoor van het eerste elftal zou gaan kiezen: voor Ramon Mendoza, de huidige voorzitter van Real Madrid. De kandidaat zelf had 's nachts nauwelijks geslapen en tot overmaat van ramp die ochtend zonder ze af te spoelen zijn contactlenzen ingedaan. Met bloeddoorlopen ogen stond de 63-jarige miljonair dan ook aan het begin van de middag de media te woord, die dankzij de ingeschakelde onderzoeksbureau's en hun stembusenquetes al wisten te melden dat de zittende voorzitter het pleit in zijn voordeel had beslecht.

Zijn tegenstander, de 43-jarige schrijver Alfonso Ussia, hield zich gedurende heel de dag uitermate kranig. “We zullen een goed resultaat behalen”, verzekerde hij nog tegen de avond, terwijl hij in zijn hoofdkwartier foto's en affiches signeerde. De gevel en de ruiten van het kantoor waren een dag eerder door de ultras van tribune-zuid (de F-side van Madrid) met spuitbussen en viltstiften bewerkt, zodat iedere voorbijganger kon weten dat deze eerzame vader van drie kinderen een flikker en een 'dumbo' was en niet 'de ballen' zou hebben om een eind te maken aan het voetbalgeweld. Mendoza had de ultras voor de komende seizoenen gratis vervoer naar uitwedstrijden beloofd.

Grappend met de twee politiemensen die hem al dagen als lijfwacht volgden en zijn komende nederlaag vast relativerend tegenover zijn medewerkers en de pers, toonde Ussia zich een waardig verliezer.

“Zelfs als ik verlies, heb ik moreel gewonnen”, verzekerde hij. Tussen de witte lijnen mag voetbal dan oorlog zijn, daarbuiten is het voor honderd procent politiek.

Ramon Mendoza, die uiteindelijk inderdaad over 56,5 procent van de uitgebrachte stemmen bleek te beschikken, is een voorzitter van de nieuwe, Europese stempel die zich het liefste spiegelt aan zijn vriend en voorbeeld Berlusconi uit Milaan. Hij wijdt zich de laatste jaren bijna full time aan het besturen van Real Madrid, maar heeft daarnaast financiele belangen in radio, televisie, kranten, hotels, een bank, de herenmode en de paardesport. Ook over de club denkt hij als een bedrijf. Hij heeft een grootscheepse verbouwing van het Bernabeu-stadion in gang gezet, die er ondermeer kantoren en winkels aan toe moet voegen, en is daarnaast bezig met de constructie van een sportcentrum waarin de basketbal-afdeling een zaal moet krijgen die niet alleen voor Europese, maar ook voor Amerikaanse begrippen uniek mag worden genoemd. Mendoza beschouwt zichzelf als een prominente Europeaan en zorgt er daarom voor dat hij wekelijks de roddelpers haalt in het gezelschap van filmsterren, zangers en politici. In januari van dit jaar schreef hij vervroegde verkiezingen voor het voorzitterschap uit, om er zeker van te zijn dat hij nog eens vier jaar zijn handen vrij zou hebben bij het uitvoeren van zijn plannen.

Pas een keer eerder in de negentigjarige geschiedenis van de club, hebben de ruim vijftigduizend leden ook daadwerkelijk over het voorzitterschap moeten stemmen. Gewoonlijk neemt een groepje kiesmannen de honneurs waar, omdat er toch maar een serieuze kandidaat voorhanden is. Dit keer gooide de sport echter roet in het eten, of beter gezegd: het gebrek aan sportief succes. Real Madrid maakt namelijk het slechtste seizoen sinds generaties door. Sinds het aantreden van Mendoza in 1985, behaalde het eerste elftal vijf landstitels op rij en als de voorzitter zorgen had dan was het uitsluitend over de almaar uitblijvende Europese titel die Madrid zijns inziens verdiende. Op dit moment staat Real echter op de achtste plaats in de competitie en is zelfs deelname aan de strijd om de UEFA-cup uiterst twijfelachtig. Vorig jaar vestigde de club een record door dertig maanden achtereen in thuiswedstrijden ongeslagen te blijven, dit seizoen wordt zij voor eigen publiek door provinciale teams als dat van Osasuna met 4-0 weggevaagd.

De oorzaak van de ineenstorting is voor een belangrijk deel aan Mendoza te wijten. Dat is zeker. Aan het eind van het vorige seizoen verkocht hij tot ontzetting van de trouwe aanhang sterspeler Martin Vazquez naar Italie en dankte hij de veteraan Bernd Schuster af, waarmee twee steunpilaren van het elftal verdwenen. Zijn aankopen Spasic en Hagi waren nu eens lichamelijk dan weer geestelijk afwezig.

Het ontslag van trainer John Toshack bracht geen verandering in de toestand. Integendeel: diens vervanging door de oude Alfredo di Stefano, die iedere week zichtbaar wanhopiger op de bank plaatsnam, tastte ook nog eens de reputatie van deze beste voetballer aller tijden aan en nam posthuum iets weg van de glorie van de jaren vijftig, toen Real Madrid over de velden van Europa heerste. Naarmate de rij nederlagen langer werd, werd bovendien steeds duidelijker dat het elftal geen zin en geen macht meer had. Onder leiding van de vlotte prater Butragueno en het kokette Mexicaantje Hugo Sanchez hadden de spelers Mendoza ervan weten te overtuigen dat Toshack veel te hoge eisen aan hun fysieke conditie stelde, nu konden de televisiekijkers iedere zondag zien hoe ze al lang voor het eindsignaal het tempo vertraagden en het hoofd lieten hangen.

Alfonso Ussia besloot een daad te stellen, in naam van iedereen met hart voor verleden en toekomst van de club. De schrijver en columnist in rechtse dag- en weekbladen, zoon van een hertog en al sinds zijn kinderjaren lid van Real Madrid, daagde Mendoza en zijn rijke vrienden uit om het roer over te geven. Geld had hij nauwelijks, wel een paar vrienden die hem wilden helpen. Zijn gebrek aan bestuurlijke ervaring zou hij met clubliefde compenseren. De invloed van sponsors moest worden teruggedrongen, ten gunste van de man op de tribune. Hij noemde zichzelf 'de kandidaat van de hoop'.

Vorige week, tijdens de rechtstreekse uitzending van het laatste televisiedebat tussen de twee aspirant-voorzitters, was te zien hoe Ussia met zijn scherpe tong Mendoza tot een trillende zenuwbundel wist te reduceren. Maar tegelijkertijd werd toen al duidelijk dat argumenten in het moderne voetbalmanagement uiteindelijk minder gewicht in de schaal leggen dan harde centen. Met geld zijn immers voetbalreputaties te koop en tijdens de laatste weken van de verkiezingsstrijd liet de zittende voorzitter dagelijks nieuwe namen circuleren van spelers met wie het contract voor volgend jaar rond was, of bijna rond: Prosinecki en Pancev van Rode Ster Belgrado, Gullit en Donadoni van Milaan, Polster van Sevilla, Serna en Goicoechea van Barcelona.

Ussia maakte voorzichtig duidelijk dat hij dacht aan Thompson (Arsenal), Matthaeus (Inter), Schuster en Van Basten. Maar zijn enige echte troef was een trainer: Vujadin Boskov van het Italiaanse Sampdoria. Boskov zou uiteindelijk over de wenselijkheid van nieuwe aankopen mogen beslissen. Het was dan ook de genadeslag voor Ussia's campagne toen de Joegoslaaf woensdag bekend liet maken dat hij een contract-voor-het-leven met Sampdoria had getekend. Hij zou door Ussia 'gebruikt' zijn. Maar had Boskov niet eerder de Madrileen gebruikt om zijn arbeidsvoorwaarden te verbeteren? “Que podoroso caballero es Don Dinero”, (welk een machtig heerschap is Meneer Geld) stamelde Ussia bij het vernemen van het slechte nieuws, daarmee bewijzend dat hij ook in de moeilijkste omstandigheden de puntdichten paraat heeft waar een deel van zijn reputatie op is gebaseerd. “Ik had gedacht dat we in een wereld leefden die net iets romantischer was”, gaf hij vervolgens toe.

De verkiezingsdag van gisteren kreeg in de media bijna evenveel aandacht als wanneer het om de gemeenteraad of het landsparlement was gegaan. Radio en televisie waren vanaf 's ochtends vroeg met rechtstreekse uitzendingen vanuit het stadion in de ether, de kranten hadden extra bijlagen gemaakt. Het ging om meer dan het kiezen van een sportofficial, om meer zelfs dan de strijd tussen een conservatieve romanticus en een rijke technocraat. Iedereen besefte dat. Al wisten weinigen het zo mooi te zeggen als de schrijver van de drie pagina's tellende voorbeschouwing in het ernstige dagblad El Pais. Deze commentator analyseerde het uitblijven van Europacup-successen als een identiteitsprobleem van de Spaanse maatschappij: wat mogelijk was in de tijd van Franco, van de legendarische voorzitter Santiago Bernabeu en van Alfredo di Stefano blijkt niet meer mogelijk onder premier Gonzalez, Mendoza en het lefgozertje Buitragueno. Bernabeu, beroemd om zijn toespraken in de kleedkamer, bestierde de club van 1943 tot 1978.

De Spanjaarden waren arm in die tijd en werden door de beschaafde buren geminacht om zijn achterlijke dictatuur, maar tussen 1945 en 1966 waren de voetballers van Madrid zes keer de beste van Europa.

Real Madrid stond voor hoop en voor een beetje zelfrespect. Nu is het land een aanzienlijk lid van de EG onder democratisch bestuur en sinds enige jaren in de greep van een ongekende consumptiedrift. Maar verdient het die plaats wel? Hoort het er echt bij? Is de plotselinge welvaart geen luchtkasteel? En kan de maatschappij alle weelde aan?

De beloften van Mendoza wonnen het gisteren van de twijfel. Om acht uur 's avonds hadden de stembussen dicht moeten gaan, maar toen stonden er nog lange rijen voor de deur. Terwijl de kiesbureau's hun werk nog wat rekten en daarna tot het tellen der stemmen overgingen, trad het eerste elftal aan tegen Valencia en verrichtte een klein wonder. Voor het eerst in twee maanden werd een wedstrijd gewonnen, met 4-0. Ramon Mendoza kon dus twee keer het V-teken maken, maar ook hij weet dat de werkelijke proef op de som '1992' heet.

    • H. M. van den Brink