Vechten om Westerse hulpgoederen in primitieve vluchtelingenmaatschappij; Opgewektheid in bevrijd Koerdistan

SHIRANISH, (Noord-Irak), 15 april - Vanuit het grote Koerdische vluchtelingenkamp bij Uludere voert een steil voetpad over de 2100 meter hoge bergrug waarlangs de grens tussen Turkije en Irak loopt. De grensbewaking stelt dezer dagen niet veel voor: een paar tentjes met verkleumde Turkse soldaten die alleen in actie komen wanneer vluchtelingen uit Irak Turkije in willen, en die geen enkele vraag stelden toen een Amerikaanse journalist en ik zaterdag rond het middaguur een omtrekkende beweging rondom hun bivak maakten en Irak binnen wandelden.

Op deze hoogte groeit helemaal niets en er ligt veel sneeuw, maar voor honderden vluchtelingen is dat kennelijk geen bezwaar. Langs hun tenten liepen we bergafwaarts tot het eindpunt van de zandweg, een paar honderd meter lager dan de bergrug, waar veel vluchtelingen twee weken geleden hun auto's moesten laten staan. Ze staan er nog steeds: honderden bussen, busjes, vrachtauto's, taxi's, vuilniswagens en min of meer normale personenauto's, in onbeschrijfelijke wanorde, vaak half weggezakt in de modder, en soms gebruikt als onderkomen voor de gezinnen die niet meer verder konden.

Vrouwen, baby's en vooral veel kleuters puilden uit cabines van enorme vrachtwagens, mannen zaten te converseren in de stoelen van hun Ford of Toyota. Vanuit de deuropening van een kleine autobus wenkte een man om binnen iets te kunnen laten zien: zijn jongste kind, geboren op de dag na aankomst, voor de foto omhoog gehouden door de glimlachende echtgenote op de achterbank.

Vergeleken met de ellende bij de vluchtelingen in Turkije was de sfeer onder de Koerden in het uiterste noorden van Irak joviaal en vrolijk.

Ook hier tekort aan bijna alles - maar niet aan vrijheid. Buiten bereik van de Turken en 25 kilometer verwijderd van de dichtstbijzijnde post van het Iraakse leger, zagen we een primitieve maar enthousiaste vluchtelingen-maatschappij in bedrijf. In de diepte glinsterde een zijrivier van de Tigris, en was de stad Zakho - op 40 kilometer afstand - duidelijk zichtbaar.

Maar wel werd er geschreeuwd en gevochten toen drie Amerikaanse Chinook-helikopters in de middag tot enkele meters boven het bergterrein afdaalden en onder andere baby-melkpoeder en dekens afwierpen. Op ieder neergeploft pakket stortte zich onmiddellijk een kluwen van tientallen Koerden waaruit zich enige tijd later, nadat de stevige verpakking was opengebroken, individuen met een deel van de hulp losmaakten. Eigendomsrechten leken pas buiten een straal van een meter of vijftig van kracht te worden; daarbinnen vonden nog vele schermutselingen plaats.

We volgden de weg verder Irak in. Beide bermen waren bezaaid met kapotte en-of brandstofloze motorvoertuigen, duizenden in totaal, maar er reed ook nog wel wat, een paar tractoren in het bijzonder. Soms kregen we over een korte afstand een lift, een keer in een kapotte personenauto die aan een ketting door een tractor door de blubber werd voortgezeuld.

Peshmerga's Een kilometer of tien verder lag een tweede groot autokerkhof, op de plaats vanwaaraf de weg geasfalteerd was. Lopend en liftend door een lange steile kloof, arriveerden we aan het eind van de middag waar we wilden zijn: bij de meest zuidelijke post van de peshmerga's, de Koerdische guerrillastrijders in de noordwest-hoek van Irak.

In een zonovergoten groene vallei met een bruisende rivier, aan weerszijden omzoomd door fantastische rotsformaties, werden we door onze laatste tractor afgezet bij een klein wit fort met een paar Iraakse vlaggen erop geschilderd. Hoger in de bergen hadden we hoogst oncomfortabele versterkingen van het Iraakse leger gezien, van manshoog opgestapelde rotsblokken en verder niets, maar dit was luxe en over de architectuur was nagedacht, met ronde torens op de hoeken, en een extra muur eromheen.

We werden allerhartelijkst ontvangen door niet meer dan zes met munitie omhangen peshmerga's. Een vanuit de lucht afgeworpen Amerikaans voedselpakket werd geopend en we mochten een plastic zak tonijn met noedels leeglepelen. Een zakje poeder veranderde de inhoud van onze veldflessen in kersenlimonade, en de maaltijd eindigde met kauwgom en lichtgeparfumeerde tissues om onze handen af te vegen.

Nog vier peshmerga's arriveerden, in een rode personenauto, onder wie kapitein Mohammed Shimu, die het bevel leek te voeren over het fort.

We stapten in en reden bij het laatste zonlicht vijf kilometer verder naar het zuiden. De laatste jaren hebben de Irakezen alle Koerdische dorpen in hun land, in totaal 4.000 stuks, met de grond gelijk gemaakt en de inwoners naar zogeheten hervestigingskampen in de nabijheid van grote steden afgevoerd, ten einde de steeds weer oplaaiende guerrilla in Iraaks Koerdistan voorgoed onmogelijk te maken. Hier zagen we de resultaten.

Langs de rivier was een groot deel van de vallei voorzien van fraaie terrassen met stenen muurtjes, waaraan generaties lang was gewerkt maar die nu duidelijk tekenen van verval vertoonden. Er groeide ook niets anders meer dan gras. Van het bijgehorende dorp resteerden alleen een paar halfovereind staande muurtjes in een kleine vlakte vol puin. Een stukje verder stopten we, op ongeveer een kilometer van het stadje Shiranish. Shimu maakte met gebaren en enkele woorden Engels duidelijk dat Shiranish nu helemaal leeg was, een soort niemandsland tussen de Irakezen en de peshmerga's.

VUURGEVECHT

De Irakezen konden we over de heuvels zien lopen, op ongeveer 800 meter afstand. Verder dan hier waren ze sinds hun grote offensief van eind maart niet gekomen, al hadden ze eind vorige week een poging daartoe gedaan. Tijdens het volgende vuurgevecht met de peshmerga's hadden ze 27 man verloren en waren er 38 krijgsgevangen gemaakt; de verliezen aan peshmerga-zijde zouden beperkt zijn gebleven tot 7 gewonden. De gewonden onder de 38 Iraakse krijgsgevangenen waren inmiddels naar het vluchtelingenkamp in Turkije afgevoerd, waar ze door andere journalisten inderdaad zijn gesignaleerd in een van de schaarse ziekententen die daar zijn verrezen ten behoeve van de Koerdische vluchtelingen. Op de weg terug naar het fort stopten we bij een van de weinige groepen vluchtelingen die in de vallei bivakkeerden. Ze hadden genoeg water en brandhout maar daar bleef het bij. Voor voedseldroppings zaten ze te ver landinwaarts, en het enige dak boven hun hoofd was een autodak. Al twee weken sliepen ze zittend of, als het droog was, in de open lucht. Een van hen, die wat Engels sprak, trad op als tolk voor Shimu. In de bergen in Noordwest-Irak zaten volgens hem nu 40.000 peshmerga's, die verlangend uitzagen naar de instelling van een veilige zone in Noord-Irak onder auspicien van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen - onder wie een deel van hun gezinnen. Zodra zeker was dat die veilig waren voor de Iraakse luchtmacht zouden de peshmerga's zeker met een tegenoffensief beginnen. Alles hing in dit stadium af van wat de grote mogendheden zouden beslissen en ook de vluchtelingen beaamden dat: tot op vandaag waren ze hevig teleurgesteld in de hulp van de rest van de wereld maar de hoop op verbetering was groot - wellicht bij gebrek aan hoop op enige andere oplossing.

In het donker kwamen we weer terug bij het fort waar een paar olielampen de kale vertrekken schaars verlichtten. Voor iedereen was er een stuk schuimplastic om op te liggen, afkomstig uit de voorraden die op de vlucht waren meegenomen.

De volgende middag zetten we weer voet in Turkije. In tegengestelde richting bewoog zich over het pad een smalle stroom Koerden die teruggingen: voorlopig naar de andere kant van de grens, waar genoeg water was en wellicht een pak tonijn met noedels (of een van de negen andere maaltijden). Maar sommigen zeiden dat ze doorgingen naar Zakho, waar het Iraakse leger zat. Ze riskeerden hun leven en dat beseften ze, maar misschien zou het meevallen. Het idee dat alles beter is dan Irak maakt bij een nog klein maar groeiend deel van de vluchtelingen plaats voor het idee dat alles beter is dan Turkije.