Oorlog om de holenbroeders

De bonte vliegenvanger is weer welkom in het Leuvenumse Bos. Vorige lente sloopte eigenares Natuurmonumenten veertig nestkastjes uit dit oude dennenbos bij Harderwijk, niet uit vandalisme maar gewoon als eerste stap op weg naar een meer natuurlijk bosbeheer.

In een echt wild oerbos zie je immers nooit nestkastjes in de bomen hangen en ook het Leuvenumse Bos staat op de nominatie om een ongerept bosreservaat te worden. Dus geen houtkap meer, geen dunningen, en zeker ook geen vogelkastjes, want dat is geen gezicht, zegt Natuurmonumenten.

Voor de bonte vliegenvangers was dat wel wat sneu. Toen ze eind april vorig jaar na een vliegtocht van vele duizenden kilometers vanuit hun overwinteringsgebieden in Harderwijk aankwamen in het vertrouwen daar hun bedjes gespreid te vinden, bleken de meeste nestkastjes ineens verdwenen. Het restant werd door broedende koolmezen bezet. Groot gekrakeel volgde. Halfuitgebroede eieren en losgerukte staartveren vlogen in het rond, veel vogels vochten zich letterlijk dood. De bonte vliegenvanger staat bekend als tamelijk agressief en ook onder vogelvrienden liepen de emoties hoog op. Mevrouw C.Th.H. Helder, de dame die de nestkastjes in kwestie gedurende tientallen jaren liefdevol verzorgd had en de jonge vogels daarbij altijd bemoedigend toesprak, schreef in vakblad 'het Vogeljaar' een brief die een lawine van reacties opriep. Van alle kanten kwamen de verhalen los over vogelvijandige acties in andere terreinen van Natuurmonumenten en ook Staatsbosbeheer zou volgens ingewijden nestkastjes prijsgeven aan natuurlijk verval om ze op die manier stilletjes te laten verdwijnen.

Professor dr. K.H. Voous, erelid van Vogelbescherming, noemde het idee dat holenbroedende vogels in ons land voortaan maar liever in natuurlijke holen moeten broeden “uitermate onrealistisch en bovendien gevaarlijk. Zo'n Nederlands oerbos bestaat helaas niet! Aan het vertwijfelde streven die situatie toch na te streven mag in ieder geval onze met zorg en moeite opgebouwde vogelstand niet worden opgeofferd”, aldus Voous. Uiteindelijk zag Natuurmonumenten zich door de groeiende stroom ongunstige publiciteit zozeer in verlegenheid gebracht dat men liet weten zelf 24 nestkastjes te zullen terughangen in het Leuvenumse Bos. Dit als aanvulling op de 16 stuks in het gemeentebos aan de overkant, waarmee de gemeente Harderwijk inmiddels haar solidariteit met de vliegenvangers had betuigd. “Maar dan maken wij onze kastjes zelf wel schoon, eens per jaar,” zegt Natuurmonumenten. “Die mevrouw hoeft er niet meer aan te komen.”

Onder de achterban blijft de verbittering groot. “Ik ben 45 jaar lid van Natuurmonumenten”, zegt vogelbeschermer W. de Veen in het Zuidlimburgse Pey-Echt. “Die terreinen zijn ons gemeenschappelijk bezit. Mensen hebben jaar in jaar uit nestkastjes voor de vogels opgehangen en nu ineens zou dat niet meer mogen? Dat vind ik echt heel erg. Daar op het hoofdkantoor in 's Graveland zit een kleine groep academici die volgens mij geen verstand van vogels heeft.”

Het gaat om een heel rijtje soorten: bonte vliegenvanger, gekraagde roodstaart, allerlei mezen als koolmees, zwarte mees, pimpelmees en kuifmees en ook de boomkruiper. Om te beginnen, onderstreept De Veen, wordt er veel te gemakkelijk gedacht over natuurlijke nestelgelegenheid voor deze dieren. Natuurlijke broedholten ontstaan maar heel langzaam. Het duurt jaren voor er in een afgewaaide boomtak door rotting zo'n groot gat is ontstaan dat daar een vogel in kan broeden. Bovendien is zo'n holte meestal niet lang bruikbaar. “Vogels slepen er elk jaar nieuw nestelmateriaal in, maar ze halen het er nooit uit”, zegt De Veen, “dat zie je ook als ze in spechtegaten broeden. Na een paar jaar zitten die nestholten tot de nok toe vol.

Bovendien komt er steeds meer parasietenbroed in.'' Parasieten, zoals vogelvlooien en teken, overwinteren in het nestmateriaal en zuigen de jonge vogels leeg. Een nestkast, die droog en schoon is en elk jaar na de broedtijd wordt schoongemaakt, is dan ook een veel beter onderdak, ook als slaapplaats buiten de broedtijd.

“Vogels pakken net als mensen het liefst een woning die naar hun zin is, dat is logisch”, zegt De Veen.

Het idee dat de holenbroeders voortaan maar in omgewaaide bomen, die de beheerder van het 'oerbos' laat liggen, moeten broeden stuit bij De Veen eveneens op scepsis. “Een gekraagde roodstaart doet dat wel maar de meeste andere holenbroeders zeker niet. Dat is ook veel te gevaarlijk, dan worden ze gepakt door loslopende honden, wezels, hermelijntjes of vossen.”

“Natuurmonumenten heeft nu die kastjes in het Leuvenumse Bos teruggehangen, maar hun beleid blijft dat er geen nieuwe kastjes meer in natuurterreinen moeten komen. Voor de vogels is dat een slechte zaak, terwijl ze toch al zoveel te lijden hebben door alle gevaren op de trek naar Afrika, de sterfte is veel hoger dan vroeger.”

Navraag bij Natuurmonumenten leert dat inmiddels een conceptnotitie over het nestkastenbeleid op papier is gezet. Zodra het bestuur, de verenigingsraad en de directie daar hun handtekening onder hebben gezet treedt die officieel in werking. Tot die tijd is drs C.N. de Vries, medewerker van de afdeling onderzoek en beheersplannen, het aanspreekpunt.

“Ons standpunt is sinds 1980 onveranderd”, zegt De Vries. “Wij staan nestkastjes toe om educatieve redenen of voor wetenschappelijk onderzoek. Schoolklassen of jeugdgroepen kun je heel mooi met vogels in contact brengen door regelmatig nestkastjes te controleren. En voor het wetenschappelijk onderzoek aan een holenbroeder als de koolmees is het heel handig om nestkastjes op te hangen, dan hoef je niet steeds die holen op te zoeken. Maar wij hangen niet speciaal nestkastjes op om extra broedgelegenheid te bieden aan holenbroeders. Dat vinden wij niet nodig.”

In heel jonge bossen, waarin de bomen nog zo dun zijn dat er geen plaats is voor een hol, horen holenbroeders volgens De Vries gewoon niet thuis. In andere bossen zijn genoeg holen voor holenbroeders.

“Op het moment dat je nestkastjes ophangt in welk bos dan ook zullen holenbroeders liever in die nestkastjes gaan zitten”, zegt De Vries.

“Dat vinden wij onnatuurlijk. Wij vinden dat vogels zelf hun nestplekken kunnen maken of zoeken.”

Erkend wordt dat nestkastjes vooral in jonge naaldbossen vaak een dramatische verbetering van de vogelstand te zien geven. Eten en ruimte zijn er wel, het schort hem alleen aan nestelgelegenheid. “Je kunt ook voederplaatsen en drinkbadjes voor de vogels gaan maken”, zegt De Vries, “Maar dan ben je met een soort dierentuin bezig, niet met natuur zoals wij die zien. In de jaren vijftig dachten bosbouwers dat je geen rupsenplagen zou krijgen als je maar genoeg vogels in het bos lokte. Door genoeg nestkastjes op te hangen kun je wel veertig of vijftig paar vogels per hectare krijgen. Je kunt besdragende heesters in het bos planten en vogelvoer strooien.... Je hebt dierenbeschermers en natuurbeschermers, daar zit verschil in. Persoonlijk vind ik dat trouwens geen mooi gezicht als er veel nestkastjes in een bos hangen.”

Hoe lang gaan de oude nestkastjes in de bossen van Natuurmonumenten nog mee als ze aan de tand des tijds worden prijsgegeven? “Geen idee”, zegt De Vries. “Ik heb zelf nooit met nestkastjes gewerkt maar naarmate ze meer aan zon en wind zijn blootgesteld zullen ze wel eerder wegrotten.”

Over de vraag of nestkastjes bijdragen aan een vorm van faunavervalsing valt te twisten. Hoeveel holenbroeders horen er eigenlijk van nature thuis in het bos? “In dennenbos horen veel minder vogels thuis dan in loofbos en in een jong naaldbos zitten van nature heel weinig vogels, dat klopt,” zegt Jos Kluiters, interim-directeur van Vogelbescherming. “Als Natuurmonumenten daar geen nestkasten wil ophangen, prima, dat moeten zij weten, het is tenslotte hun terrein. Maar als die nestkasten er eenmaal hangen, dan moet je er goed voor zorgen. Dat vind ik een ijzeren wet. Die vogels keren daar elk jaar terug omdat ze gewend zijn geraakt daar te broeden. Als je abrupt al die kastjes weghaalt is dat strijdig met het idee van natuurlijk bosbeheer, dan krijg je een soort Golfoorlog tussen die vogels. Zoiets doe je niet.”

Anderzijds wil hij de zaak niet teveel opblazen. “Vogels kunnen vliegen. Als er geen nestkastje hangt, vliegen ze wel een eindje verder. Als je dat nestkastenbestand geleidelijk afbouwt heb ik daar geen bezwaar tegen.”

Kluiters wil vooral nestkastjes zien waar het zinnig is en nodig, bijvoorbeeld voor bedreigde soorten als huiszwaluw, kerkuil en zwarte stern, waarvan duidelijk is dat de achteruitgang samenhangt met gebrek aan nestgelegenheid. “Voor die bosvogels geldt dat niet, die redden zich heus wel zonder ons. Factoren als biotoop, voedselsituatie, wintersterfte, zijn meer bepalend dan een nestkast meer of minder. Aan de andere kant vinden mensen die nestkasten gewoon leuk en waarom zou je dat tegenhouden? Zeker naar kinderen toe is het een prachtige manier om met vogels kennis te maken. Het wordt nu zo'n zaak van principes, dat vind ik wel eens jammer.”

    • Marion de Boo