Onderdrukking Koerden is geen 'interne' aangelegenheid; Optreden tegen Irak noodzaak

Bij zijn bezoek aan de Koerdische vluchtelingen in het zuiden van Turkije herhaalde minister Baker het standpunt van de regering-Bush dat de Verenigde Staten niet van plan zijn militair tussenbeide te komen om de onderdrukking van de Koerden door 'president' Saddam Hoessein te beeindigen.

De argumenten voor dit standpunt zijn ontleend aan de resolutie van de Veiligheidsraad van de VN, die militaire maatregelen slechts toestond om Koeweit te bevrijden en aan artikel 2 lid 7 van het VN Handvest, waarin de VN de bevoegdheid ontzegd wordt “tussenbeide te komen in aangelegenheden die wezenlijk onder de nationale rechtsmacht van een staat” vallen.

Het is echter zeer de vraag of deze juridische argumenten wel betrekking hebben op de toestand, die momenteel in Irak bestaat.

Tussen de geallieerden, waarvan zich strijdkrachten op Iraaks grondgebied bevinden, en de staat Irak bestaat feitelijk een oorlogstoestand. Die is juridisch vergelijkbaar met de toestand, die in Duitsland bestond na de ondertekening van de wapenstilstand op 8 mei 1945.

Aangezien de geallieerden in 1945 geheel Duitsland bezet hadden, werden de overgebleven leiders van het Nazi-regiem gearresteerd en later veroordeeld door het Tribunaal van Neurenberg op grond van de bepalingen van het Handvest van Neurenberg. Over het karakter van het regiem van Saddam Hoessein lijkt twijfel nauwelijks mogelijk. De Iraakse agressie tegen Koeweit is een 'misdaad tegen de vrede.' De behandeling van Koeweit en zijn bevolking, de gijzeling van buitenlanders, de behandeling van krijgsgevangenen en de vernietiging van de oliebronnen behoren tot de 'oorlogsmisdaden', namelijk de schending van regels van oorlogsrecht. Evenzo behoren de strijd tegen en de verdrijving van de Koerden behoren tot de erkende 'misdaden tegen de mensheid.' Het feit, dat Saddam Hoessein nog aan de macht is, verhindert de geallieerden hem en zijn handlangers wegens die misdaden te veroordelen. Bovendien beschikken de Verenigde Naties niet over de instrumenten om zulke misdaden strafrechtelijk te vervolgen. De beginselen van het Handvest van Neurenberg zijn door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wel erkend als beginselen van internationaal recht. Het is echter niet mogelijk gebleken overeenstemming te bereiken over de codificatie van het internationaal strafrecht en de instelling van een Internationaal Gerechtshof met de bevoegdheid zulke misdaden te behandelen.

Daarmede zijn de door Saddams bewind gepleegde misdaden echter geen interne aangelegenheid geworden. Artikel 2 (lid 7) van het Handvest behoort tot de regels van het internationale 'vredesrecht'. In de feitelijke toestand van oorlog, die - ook na de wapenstilstand - tussen Irak en de geallieerden bestaat, zijn de regels van het 'oorlogsrecht' van toepassing. Bovendien stelt artikel 2 (lid 7) van het Handvest uitdrukkelijk vast, dat het beginsel de toepassing van dwangmaatregelen niet in de weg staat. In zijn resolutie 678 van 29 november 1990, machtigde de Veiligheidsraad de staten, die met de regering van Koeweit samenwerken om alle noodzakelijke maatregelen te nemen (ondermeer) om de internationale vrede en veiligheid in het gebied te herstellen.

In zijn resolutie 668 van 5 april 1991 veroordeelde de Veiligheidsraad: “de onderdrukking van de Iraakse burgerbevolking in vele delen van Irak, waaronder sinds kort de door Koerden bewoonde gebieden, waarvan de gevolgen een bedreiging vormen voor de vrede en de veiligheid in de regio.” In de enkele dagen eerder aangenomen staakt-het-vuren-resolutie heeft de Veiligheidsraad terecht aan Irak de maatregelen opgelegd, die uitgevoerd moeten worden om de oorlogstoestand te beeindigen en de internationale vrede en veiligheid in de regio te herstellen.

De onderdrukking en verdrijving van de Koerden is bijgevolg geen 'interne aangelegenheid' of een burgeroorlog. Zij is een inbreuk op beginselen en regels van oorlogsrecht, het humanitaire oologsrecht in het bijzonder. De vraag is dus niet of de staten de bevoegdheid hebben zich hierin te mengen, maar welke dwangmaatregelen zij bereid zijn te nemen om aan deze inbreuken een einde te maken.

Welke zijn de politieke overwegingen dan van Washington? Zoals altijd, spelen overwegingen van binnenlandspolitieke aard een belangrijke rol.

Bush heeft de Amerikanen een snelle overwinning beloofd en 'geen herhaling van Vietnam'. Bush is blijkbaar ook van mening, dat de politieke en territoriale integriteit van Irak behouden moet blijven.

Die mening is niet nieuw. In de laatste fase van de oorlog tussen Iran en Irak, steunde Amerika agressor-Irak om dezelfde reden tegen Iran.

Vrees voor grotere invloed van het fundamentalistisch-islamitisch bewind in Teheran, verduisterde het zicht op het misdadige karakter van het bewind in Bagdad. Herstel van de territoriale en politieke integriteit door het regiem van Saddam Hoessein moet echter beschouwd worden als de slechtst mogelijke bijdrage aan het herstel van veiligheid en vrede in de regio.

Het gewenste alternatief van een meer democratisch regiem is zonder buitenlandse 'inmenging' onbereikbaar. In Saddams afschuwelijke 'Republiek van de Vrees' heeft de niets en niemand ontzienende terreur de krachten van het verzet vernietigd, versplinterd of vermoord. Het totalitaire schrikbewind in Irak kan alleen nog gebroken worden door delen van het grondgebied aan het gezag van Bagdad te onttrekken en te beschermen tegen verdere wandaden en wraakacties van het regiem.

Amerika is echter niet bereid deze conclusie te aanvaarden. Zij staat haaks op de opvatting van Amerika's belangrijkste bondgenoot, Saoedi-Arabie. Het theocratische bewind van Saoedi-Arabie vreest zowel voor 'democratisering' die het gevolg kan zijn van blijvende Amerikaanse aanwezigheid, als voor ondermijning van zijn positie in de wereld van de Islam door groeiende invloed van Iran. Juist Saoedi-Arabie lijkt de sterkste pleitbezorger te zijn voor terugkeer naar de status quo, zoals die voor de Iraakse invasie in Koeweit bestond. Daarin past een verzwakt schrikbewind in Baghdad beter dan een uitbreiding van de invloed van Iran en Turkije. Misschien is het wel op aandringen van Saoedi-Arabie, dat Washington probeert de diplomatieke aandacht opnieuw te richten op de oplossing van het Israelisch-Palestijnse conflict.

Het is onwaarschijnlijk, dat Amerika daar de sleutel voor vrede in het Midden-Oosten zal vinden. De diepere oorzaak voor het blijvende conflict tussen Israel en de Palestijnen en voor de verschrikkingen in het Golf-gebied ligt tenslotte in het falen van de Arabische politieke cultuur een eigentijds antwoord te vinden op zulke vragen als de legitimiteit van regeringen, de politieke vrijheid van de burgers en de rechten van minderheden. In de retoriek van de 'Arabische natie'

kon Saddam Hoessein worden toegejuicht, maar is er geen plaats voor Israel, Libanon of de Koerden. Zoals Samir al-Khalil (schuilnaam) schreef in zijn schokkende boek: 'De Republiek van de Vrees', is Saddam Hoessein niet slechts de meedogenloze leider van een weerzinwekkende staat. “Hij handelt volgens een wereld, die zelf verworden is en die in het geheel er niet meer op was toegerust hem op het niveau van ideeen en waarden te weerstaan.”

Amerika's argumenten om zich niet te mengen in de Iraakse 'burgeroorlog' zijn niet sterk, maar wel te begrijpen. In de Arabische politieke cultuur ontbreken de voorwaarden voor een Westduitse oplossing (opvoeding tot democratie tijdens de na-oorlogse bezetting) van het Iraakse probleem. Amerikaans-Arabische samenwerking naar het model van de Atlantische samenwerking behoort evenmin tot de mogelijkheden. Na de onvoltooide oorlog tegen Irak is er echter ook geen Arabische oplossing voor vrede en veiligheid in de regio.