Om wiens recht gaat het in het Palestijns-Israelisch conflict?

Het probleem met het Palestijns-Israelische conflict - zo kan men allerwege horen - is, dat het niet gaat om een kwestie van recht tegen onrecht, maar van recht tegen recht. De vraag is of dat waar is.

Het is allemaal begonnen op 2 november 1917. Op die datum schrijft de Britse minister van buitenlandse zaken Balfour een brief aan de Londense lord Rothschild, waarin hij verklaart, dat Zijner Majesteits regering welwillend staat tegenover de vestiging van een joods nationaal tehuis in Palestina (de zogenaamde Balfour Declaratie).

Ruim een maand later (op 9 december 1917) is de geallieerde strijd tegen de Turken zover gevorderd dat de Engelse generaal Allenby Jeruzalem kan binnentrekken. Binnen het systeem van na de Eerste Wereldoorlog krijgt Groot- Brittannie het 'Mandaat' over Palestina. Op 25 april 1920 wordt dit tijdens de conferentie van San Remo vastgelegd. In de preambule van het mandaatsverdrag wordt de tekst van de Balfour-declaratie vrijwel letterlijk opgenomen. Van groot belang is vast te stellen dat het mandaatgebied Palestina op dat moment niet alleen het gebied omvat dat later onder Brits mandaat Palestina werd genoemd, maar ook het gehele huidige koninkrijk Jordanie. Evenzeer interessant is dat paragraaf 3 van de preambule de vestiging van een joods nationaal tehuis verbindt met de erkenning van “the historical connection of the Jewish people with Palestine and (to) the grounds for reconstituting their national home in that country”. Nadat de tekst van het mandaat in juli 1922 door de Volkenbond was aanvaard, werd het mandaat op 1 september 1923 formeel een feit. Artikel 25 van de mandaatsopdracht aan Groot- Brittannie bevat een van een vooruitziende blik getuigende bepaling. Het zou van groot belang worden om precies vast te stellen in welk deel van het totale mandaatsgebied (dat immers ook het huidige Jordanie omvatte) het joods nationaal tehuis zou worden gevestigd. Artikel 25 zegt: “In the territories lying between the Jordan and the eastern boundary of Palestine... the Mandatory shall be entitled (...) to postpone or withhold application of this mandate...”. Dat betekende dat de mandataris de verplichting tot vestiging van een joods nationaal tehuis niet ten oosten van de Jordaan behoefde te vervullen.

De Britten maakten vrijwel terstond van deze ontsnappingsmogelijkheid gebruik. In een memorandum van september 1922 aan de Volkenbond werd de rivier de Jordaan tot aan haar samenvloeiing met de rivier de Jarmuk als de oostgrens van Westelijk Palestina aangemerkt. Die grenslijn heeft van 1922 tot 1948 gegolden.

Dit betekent dat zowel het 'bezette' gebied op de westoever van de Jordaan als de Strook van Gaza gedurende de gehele mandaatsperiode deel hebben uitgemaakt van het gebied, waarin Groot-Brittannie krachtens het mandaat gehouden was een joods nationaal tehuis te vestigen. Het gebied ten oosten van de Jordaan was reeds einde 1921 door de Britten erkend als het emiraat Transjordanie onder leiding van de grootvader van de huidige koning Hussein. In 1946 werd Transjordanie (dat tot dat ogenblik Brits mandaatgebied was gebleven) zelfstandig als het Hasjemitisch Koninkrijk Transjordanie.

In 1948 werd de staat Israel gevestigd, als gevolg van een mede daartoe strekkende aanbeveling van de Verenigde Naties. Onmiddellijk daarna vielen zeven Arabische staten (waaronder Transjordanie en Egypte) de net opgerichte staat Israel aan. Het Transjordaans-Arabische legioen van de legendarische generaal Glubb ('Glubb pasja') veroverde een bijna geheel door Arabieren bewoond gebied op de westoever van de Jordaan benevens het oostelijke deel van Jeruzalem. Na deze verovering ging Transjordanie zich Jordanie noemen.

In 1951 werd het gebied op de westoever van de Jordaan met inbegrip van Oost-Jeruzalem door Jordanie formeel geannexeerd. Deze annexatie is uitsluitend erkend door Pakistan en Groot-Brittannie; wat het laatste land betreft met uitzondering van Jeruzalem. Geen van de Arabische staten heeft de annexatie ooit erkend. De Strook van Gaza werd in 1948 door Egypte veroverd en door dat land onder militair gezag. Tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 werden beide gebiedsdelen door Israel veroverd.

Daarmee was in geografisch opzicht de situatie van de mandaatsperiode hersteld. Het lag in de lijn der verwachtingen dat de Verenigde Naties - die immers door het delingsplan van 1947 de oprichting van een joods (en een Arabische!) staat hadden aanbevolen - zich met de afwikkeling van de Zesdaagse Oorlog zouden bezighouden. Dat heeft in november 1967 geleid tot het aannemen van de befaamd geworden Veiligheidsraad-resolutie 242. Deze resolutie bracht een nieuw element in de na-oorlogse verhoudingen in het Midden-Oosten. De resolutie eist weliswaar de terugtrekking van Israel uit bezette gebieden, maar zij eist tevens en gelijktijdig “een rechtvaardige en blijvende vrede in het Midden-Oosten” en het recht van iedere staat in de regio “in vrede te leven binnen veilige en erkende grenzen”.

Met de erkenning van 'veilige grenzen' is het in de loop der jaren niet goed gegaan. In 1973 hebben Egypte en Syrie samen de zogenaamde Yom-Kippuroorlog gepoogd Israel onder de voet te lopen. Het aantal pogingen van de PLO om de vrede en veiligheid van Israel te schenden, is legio. Egypte heeft vier jaar later de consequentie uit zijn mislukte beleid getrokken en is de weg naar vrede met Israel ingeslagen.

De eis aan Israel zich eenzijdig uit de bezette gebieden terug te trekken, is strijdig met resolutie 242 en met resolutie 338, waarmee de Yom-Kippuroorlog is afgesloten. Zodra de Arabische staten zich bereid verklaren de staat Israel en zijn grenzen te erkennen, ontstaat er een geheel nieuwe en sterk verbeterde situatie. Dan begint de toestand waarvan resolutie 242 rept, werkelijkheid te worden.

Misschien dat de schokkende gebeurtenissen van de Golf-oorlog in dit opzicht als een katalysator werken.