Kakelende gebouwen op Gronings architectuursymposium

GRONINGEN, 15 april - De kwaliteit van de stedelijke architectuur vergroten. Boven het grijze gemiddelde uitstijgen. Welke gemeentebestuurder wil dat niet? Maar hoe kunnen zijn ambtenaren ervoor zorgen dat die kwaliteit wordt bereikt? Zo'n tweehonderd ambtenaren bogen zich afgelopen vrijdag en zaterdag over deze kwestie tijdens het symposium 'Architectonische kwaliteit als opdracht voor openbaar bestuur'. De bijeenkomst in Groningen werd georganiseerd door het ministerie van VROM, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Architectuurinstituut.

Wat is architectonische kwaliteit? Naar de mening van A. Duivesteijn, directeur van het Nederlands Architectuurinstituut, is kwaliteit een nimmer aflatend streven naar voortreffelijkheid. “Kwaliteit kan het best verduidelijkt worden door middel van voorbeelden, verhalen en associaties.”

Om die reden konden de ambtenaren de afgelopen twee maanden dan ook inspiratie opdoen tijdens excursies naar Frankfurt am Main en Parijs.

In Frankfurt bezocht men voorbeeldprojekten zoals Ernst May's Heimatsiedlungen uit de jaren twintig, en het Museum fur Vor- und Fruhgeschichte. In Parijs bracht de groep ambtenaren een bezoek aan de in 1990 geopende Cite de la Musique.

Nu was Groningen aan de beurt. De stad geldt immers als voorbeeld van wat mogelijk is als 'een gemeentebestuur open staat voor nieuwe en gedurfde vergezichten'. De provinciehoofdstad heeft de afgelopen vijftien jaar architectonisch van zich doen spreken met de Verbindingskanaalzone, en recentelijk natuurlijk met het Stadsmarkeringsproject. Op de tekentafel liggen nog de ontwerpen van het nieuwe Groninger Museum door de Italiaanse architect Mendini en van de nieuwe Openbare Bibliotheek door Grassi.

Volgens de Groningse wethouder Ypke Gietema bestaat er bij het publiek een verlangen om bouwkundig gezien alles bij het oude te laten. “De angst overheerst dat iedere ingreep een verslechtering is. De kwaliteit van onze steden mag evenwel niet beperkt blijven tot monumentenzorg. Nieuwbouw kan minstens zo mooi zijn.”

Duivesteijn noemde kwaliteit zowel een taak van de opdrachtgever, in dit geval de gemeentelijke overheid, als van de architect. “De opdrachtgever is net zo belangrijk als de architect, al moet de eerste niet op de stoel van de laatste willen zitten,” aldus Duivesteijn.

Volgens de Haagse oud-wethouder ruimtelijke ordening zijn gemeentebesturen onder invloed van het publiek geneigd negatieve criteria centraal te stellen, bijvoorbeeld de 'sociale veiligheid'.

“Maar architectuur heeft ook een culturele en esthetische dimensie. Een stad moet door zijn architectuur verrijkt worden.”

Schoonheid is soms belangrijker dan 'het kostenplaatje', stelde Duivesteijn, die hierbij verwees naar een kinderspeelplaats in Den Haag die enkele miljoenen had gekost. Volgens Duivesteijn bestaat er bij de gemeenten tegenwoordig de neiging om minder te investeren in kwaliteit, gezien hun vaak benauwde financiele situatie. “In Frankrijk slaagt men erin een relatie te leggen tussen het elitaire van de cultuur en wat de mensen willen. Dat kost geld. Maar de toeloop naar de Franse musea is dan ook massaal.”

Symposiumvoorzitter P. Dordregter stelde aan het slot van de conferentie dat bestuurders meer oog moeten hebben voor de stad als geheel. “Een stad is meer dan een verzameling gebouwen.

Gemeentebestuurders zijn nu vaak te veel gefixeerd op het hart van de stad. Zo zie je in Rotterdam, Den Haag en Leiden gebouwen die door elkaar kakelen 'hier ben ik', maar in feite nietszeggend zijn.''