Jan Riezenkamp, directeur-generaal Culturele Zaken; Competitief, mondain, provocerend; 'Door types zoals hij was de PvdA begin jaren '70 echt links'

Waarom haalt Jan Riezenkamp bijna net zo vaak de krant als zijn minister? Hoe werd hij 's lands meest invloedrijke cultuurambtenaar? Profiel van een deskundig ambtenaar met een hevig links verleden. “Iemand met zijn mogelijkheden heeft de neiging wat al te sterk een stempel op het beleid te drukken”.

Zijn voormalige buurman in Amsterdam, de acteur Ton van Duinhoven, mag graag een persoonlijk gesprek met Jan Riezenkamp (46) voeren. Hij staat daar open voor, zegt Van Duinhoven. “Maar tegelijk lijkt hij me een ijskoude regelaar die bereid is de poten onder andermans stoel vandaan te zagen.”

Veel van zijn vrienden en kennissen omschrijven de directeur-generaal culturele zaken van het ministerie van WVC op een dergelijke wijze: trouw in vriendschappen, verbaal begaafd, deskundig, kunstminnend, carriere-bewust, competitief, mondain, openhartig, humoristisch, maar - indien nodig - keihard. Anders dan de meeste van zijn collega-directeuren-generaal speelt Riezenkamp een publieke rol. Of het nu gaat om het fuseren van symfonie-orkesten, de benoeming van een nieuwe NOS-voorzitter of de verzelfstandiging van de Rijksmusea, het is Riezenkamp die zich opwerpt als het gezicht van het cultuurbeleid.

Ook nu Nederland een prominente aanwezigheid op de Frankfurter Buchmesse dreigt mis te lopen, voert hij in het openbaar de verdediging - niet minister d'Ancona.

Dat Riezenkamp in een leidinggevende positie is terechtgekomen, verbaast zijn jeugdvriend E. Fallaux geenszins. Dit heeft volgens hem alles te maken met het “degelijke, burgerlijke milieu waarin Riezenkamp opgroeide”. Zijn vader was directeur van de op sociaal-democratische grondslag gestoelde Coop in Leiden, een cooperatieve winkelvereniging. Het gezin woonde in een arbeiderswijk en behoorde tot de lagere middenstand, want volgens Fallaux “werd bij de Coop de nivellering stevig in praktijk gebracht”. Riezenkamp belandde op de ULO, daarna op de HBS.

Als Rotterdams student economie ontwikkelde hij zich in hoog tempo van een keurige HBS'er tot een links-radicaal. Zo legde hij zijn functie in het Rotterdams Studenten Gezelschap onmiddellijk neer toen het bestuur besloot hulde te betonen aan het aanstaande bruidspaar Beatrix en Claus. Riezenkamp was geen kroegtijger, zegt ex-studiegenoot P. de Wolf. “Hij was op sapjes.”

Samen met J. van Duijn, tegenwoordig lid van de raad van bestuur van de Robeco-groep, trok Riezenkamp regelmatig kroketten. “Dan gingen we bij hem thuis eten en probeerde ik hem daarna macro-economie bij te brengen. Dat lukte niet echt, hij was een middelmatig student. Het verbaasde me dan ook dat hij zo snel daarna nota bene wethouder van financien werd.”

Riezenkamp schoot in de politiek omhoog via het carrierepatroon van Nieuw Links: radicaal in het begin, eenmaal op het pluche redelijk, en rechtser dan gedacht. Maar ook in zijn eerste politieke jaren zagen sommigen in hem reeds regenteske trekjes. Naast het raadslidmaatschap werkte hij als belastingadviseur bij Moret Gudde Brinkman. “Ik kwam daar wel eens, ik mocht hem graag”, zegt het toenmalige VVD-raadslid H. Koning, “en daar zat hij in twee-, soms driedelig pak, terwijl hij in de raad van die slordige truien en linkse broeken droeg.”

Ook provocerend gedrag schuwde hij niet. Eenmaal opgeklommen tot wethouder reed hij rond in een bestel-Eend. Op een gewestelijke partijbijeenkomst verscheen hij ooit in een Indiase jurk. Dergelijke neigingen zou hij nooit helemaal verliezen. Fallaux weet dat hij ook later op een officiele receptie in New York Rotterdam vertegenwoordigde “in een Mexicaans diplomatenhemd met van die kanten strikjes”.

In zijn eerste jaar als wethouder (van financien en kunstzaken) bracht hij zijn afkeer van de PvdA-regenten niet uitsluitend op ludieke wijze tot uiting. Burgemeester W. Thomassen ondervond dat aan den lijve toen de wethouder de raad liet weten dat hij de kosten van diens reis naar het Verre Oosten weigerde te betalen. Op dat moment was Thomassen al onderweg. Hij moest derhalve van Hongkong tot Singapore uitleggen dat het hier geen verkapte prive-reis betrof. “Een kinderachtig soort burgemeestertje-pesten, maar dat had je vaker met die linkse jongens”, zegt Koning, die het destijds als VVD-raadslid voor de burgemeester opnam. “Ze verzetten zich tegen de regenten om zich later net zo te gaan gedragen. Dat is met Riezenkamp dus ook gebeurd.”

De combinatie van Riezenkamps financiele kwaliteiten en zijn ontluikende liefde voor de kunst legde de gemeente Rotterdam geen windeieren. Zo sleepte hij voor Boymans Van Beuningen een collectie surrealistische schilderijen in de wacht. Jeugdvriend Fallaux, thans directeur van het Filmfestival Rotterdam: “Riezenkamp vertrok onmiddellijk naar het Engelse landgoed waar dat werk zich bevond. Via een ingewikkelde truc - hij was tenslotte ook wethouder van financien - wist hij die collectie aan te kopen.”

In 1978 werd hij wethouder havenzaken. Naarmate zijn ster steeg, bespeurden sommige PvdA'ers een verdergaande verrechtsing. F. Moor, destijds PvdA-raadslid, nu dissident Kamerlid: “Hij was de eerste werkgever van Nederland die het presteerde stakers een rekening te sturen. Ik ben lid geworden van de PvdA omdat types als hij begin jaren zeventig de partij echt links maakten, later heb ik een gigantische hekel aan die man gekregen.”

Niettemin zegt Moor dat Riezenkamp een “uitstekende wethouder” was. “Hij wist meer van de materie dan de vakwethouders zelf, hij had ze allemaal onder de duim.” Gezien Riezenkamps reputatie wekte het geen verwondering dat ex-burgemeester A. van der Louw in 1982 besloot hem naar het departement te halen toen hij zelf minister van CRM was geworden.

Van der Louw was spoedig verdwenen, Brinkman zou het ministerie zeven jaar leiden en hij benoemde Riezenkamp in 1984 tot directeur-generaal culturele zaken. Bij zijn komst noemde de Kunstenbond FNV hem “een harde technocraat die naar hartelust mag gaan snijden”. De bond vreesde dat Riezenkamps zakelijke aanpak zou leiden tot het hanteren van de botte bijl. “Maar hij is ons zeer meegevallen”, zegt H.

Boswinkel, destijds voorzitter van de bond. “De kunstensector is tot voor kort relatief ontzien.”

Volgens Boswinkel is dat in niet onaanzienlijke mate te danken aan Riezenkamps invloed. “Brinkman had nu eenmaal zo veel andere zaken aan zijn hoofd dat hij maar vijf procent van zijn tijd aan het cultuurbeleid kon besteden. Riezenkamp had alle ruimte.” En daar wist hij gebruik van te maken. “Niet in de laatste plaats door zijn politieke ervaring”, zegt het VVD-Kamerlid Koning. “Hij kent alle regels van het spel.” CDA-Kamerlid M. Beinema: “Hij is handig, in de goede zin van het woord. Iemand met zijn mogelijkheden heeft wellicht wel de neiging wat al te sterk een stempel op het beleid te drukken.”

Riezenkamp houdt van zijn werk. “Hij is een niet ideologisch bevlogen pragmaticus met een sterke betrokkenheid bij de kunsten”, stelt Fallaux. “Enerzijds is hij gecharmeerd van het machiavellistisch gemanipuleer in de politiek terwijl hij zich anderzijds volledig door bij voorbeeld muziek kan laten meeslepen.” Hij herinnert zich hoe Riezenkamp hem in New York meetroonde naar een openbare repetitie van de operazangeres Jessye Norman, die de Ring des Nibelungen van Wagner ten gehore bracht. “Daar hoorde ik toch een stevig gesnik naast me”, aldus Fallaux. Tegelijk weet Riezenkamp ook aandacht op te brengen voor kunstenaars uit de marge. “Komt er weer zo'n danser uit Groningen en maakt hij er toch tijd voor vrij.”

Vriend F. Rottenberg, directeur van het Amsterdamse cultureel centrum De Balie, beschouwt zijn gedrag als on-Nederlands. “Riezenkamp is een regent met oog voor relevante gekkigheid.” Volgens hem is de WVC-topman een typische exponent van de tijdgeest. “Die professionalisering, daar past hij heel goed in. Hij behoort tot een Rotterdamse generatie van voornamelijk economen die nu aan de macht is. Buitengewoon bekwame technocraten maar zeker geen revolutionairen; daarvoor zijn ze allemaal te redelijk en te prudent.” Riezenkamp is dan ook geen vernieuwer. “Hij is op een rijdende trein gestapt. Ik zie hem vooral als een networker en een verbindingsofficier.”

Ironisch: “Hij heeft natuurlijk een mooie baan: goed betaald en altijd gratis kaartjes.”

Over het cultuurbeleid bestaat in de politiek nagenoeg consensus. Daardoor spitst het debat zich vooral toe op de uitvoering van het beleid - in binnen- en buitenland. In dat opzicht kreeg Riezenkamp de laatste jaren herhaaldelijk de wind van voren. In kunstkringen worden verscheidene voorbeelden genoemd: Brinkman die enige jaren geleden in Texas als Belgisch minister van cultuur werd verwelkomd; een ambtenaar van WVC die vorig jaar op een bijeenkomst van het Algemeen Nederlands Congres in Brussel - bij de aldaar als zeer storend ervaren afwezigheid van minister d'Ancona - ontkende dat er een cultuurgemeenschap zou bestaan tussen Nederland en Vlaanderen; de opwinding die vorige maand nog ontstond over de Frankfurter Buchmesse.

M. Mourik, voormalig internationaal cultureel ambassadeur van Nederland: “Nederland heeft geen internationaal cultureel beleid. De Buchmesse-kwestie is wat dat betreft symptomatisch.”

Volgens F.J. Diepenbrock, voorzitter van de Kunstenbond FNV en directeur van de Amsterdamse Nes-theaters, wimpelt Riezenkamp kritiek op hem te makkelijk af. “Het valt mij op dat hij altijd iemand anders de schuld geeft. Bij de Buchmesse-affaire nu weer aan Buitenlandse Zaken en de uitgevers. Er komt voor hem nu een cruciale testcase aan: voor het eerst sinds 1982 dreigt nu ook de kunstensector te moeten bezuinigen. De vraag is of d'Ancona en Riezenkamp ervoor kunnen zorgen dat dit niet doorgaat.”

Het D66-Kamerlid A. Nuis merkt evenwel op dat Riezenkamp en d'Ancona nog niet volledig aan elkaar gewaagd zijn. Hij vergelijkt het duo met een tweemotorig vliegtuig waarvan Riezenkamps motor de meeste pk's heeft. “En het is nu eenmaal zo dat als de ene motor harder gaat dan de andere het vliegtuig rondjes draait.”