Hans Werner Henze is de vertwijfeling der avant-garde ver voorbij

Concert: Residentie Orkest o.l.v. Hans Werner Henze en Markus Stenz m.m.v. Sally Harrison (sopraan), Emmy Verhey (viool) en Sviatoslav Zagursky (cello). Programma: werken van Henze. Gehoord: 13- 4 Dr. Anton Philipszaal, Den Haag.

In 1950 schreef Hans Werner Henze, van wie het Residentie Orkest in diens aanwezigheid zaterdag een inspirerend en tot in de nachtelijke uren voortdurend componistenportret leverde: “Alles is nog nieuw en oningevuld, alles bevindt zich in een staat van verwachting, terwijl de Sphinx zich voorbereidt om ons de dodelijke slag toe te dienen; maar wij betreden het terrein bewust van het gevaar, en zien in spanning de grote ogenblikken der vertwijfeling naderen.”

Nu, veertig jaar later, in een tijd van restauratie, kunnen wij ons die momenten van vertwijfeling nauwelijks nog voorstellen. Een revolutionair elan is ook niet lang vol te houden. Schumann bij voorbeeld schreef rond 1840 weer 'gewone' classicistische symfonieen na een opwindende periode van experimenteren met nieuwe miniatuurvormen. Maar eigenlijk heeft Henze altijd al verleden en toekomst weten te integreren, zelfs in die periode kort na de oorlog.

Kenmerk van Henze's werk is een verfijnd soort van elegante sensualiteit, gevat in oververzadigde, wollige timbres. Opmerkelijk is de doeltreffende vocale schrijfwijze, ook de instrumentale klinkt niet zelden vloeiend vocaal. Voor mij is en blijft de cantate Being beatious voor coloratuur-sopraan, vier celli en harp uit 1963 een hoogtepunt. Frappant is hoe ook de celli 'coloratuur'-achtig hoog worden behandeld: een soort van kamermuzikale pendant van Alban Berg's concertaria Der Wein.

Maar die zwevende lyriek is niet het enige facet aan Henze's muziek. Het was met name de Engelse dichter Wystan Auden - lid van de intellectuele commune in Ischia - die Henze dwong om te luisteren naar Wagner's Gotterdammerung, wat resulteerde in een nieuwe ontwikkeling twee jaar na de cantate in het heroische muziekdrama Die Bassariden.

Een meer Wagneriaans karakter draagt ook de recente opera Das verratene Meer naar Yukio Mishima's roman, in het Nederlands vertaald als 'Een zeeman door de zee verstoken', waarvan zaterdagavond drie tussenspelen werden uitgevoerd als Allegro brillant (1989): opzwepend in steeds grotere klankgolven, dicht en complex. Het werd door Markus Stenz (Henze zelf dirigeerde alleen de cantate) echter verrassend helder neergezet, met uitgesproken autoriteit.

Dit Henze-portret vormde een van de betere concerten van het Residentie Orkest uit de laatste tijd. Ongelukkig was alleen het optreden van een cellist, die tot tweemaal toe te kampen had met een springende snaar.

De Sieben Liebeslieder voor cello en orkest uit 1984-'85 tenderen weer naar de cantate, kamermuzikaal verfijnd.

Tenslotte klonk als tweede Nederlandse premiere (na het Allegro brillant) de Zevende Symfonie uit 1984. Hier spreekt vooral Mahler een woordje mee, in het derde deel met een citaat uit zijn Tweede symfonie. Voor de finale inspireerde Henze zich op een gedicht van Holderlin: Halfte des Lebens, zij het meer onderhuids en niet zoals bij Mahler door het gedicht ook te laten klinken. Een gedicht in de renaissancistische traditie, waarin een elegante manieristische beschrijving van de natuur opeens omslaat in een Weh mir en de schaduwen van de koude aarde de zonneschijn verduisteren. In de muziek is die omslag goed te volgen in een lange generale pauze.

De wonderbaarlijke en groots opgezette symfonie telt fascinerende momenten. Toch wordt het voor mij steeds duidelijker, dat de Sphinx waarmee Henze de avantgardist uit 1950 opzadelde, op hem zelf kan worden betrokken als metafoor voor edelkitsch. Want daarmee heeft Henze te kampen en daaraan weet hij niet altijd te ontkomen. Het Being Beatious uit '63 bood meer dan schoonheid, het overrompelde door jeugdige luciditeit.

    • Ernst Vermeulen