Een Nieuwe Aanpak

DE IRONIE VAN de geschiedenis wil dat de politieke en economische erfenis van Karl Marx bestaat uit een grootschalig experiment in kapitalistische ontwikkeling.

Nadat de Sovjet-Unie in de nazomer van 1989 kenbaar had gemaakt dat het haar militaire en politieke greep op haar satellietstaten in Midden-Europa wilde opgeven, werd het prikkeldraad opgerold, de Muur geslecht en het IJzeren Gordijn opgetrokken. De democratie in Europa was, 45 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, tot aan de grenzen van het Sovjet-rijk hersteld. En zelfs daar, in de bakermat van de communistische dictatuur, was een beweging voor democratische hervorming in opkomst.

Na de politieke ommekeer begon de economische reorganisatie en maakte euforie plaats voor ontnuchtering. De omschakeling van een vastgelopen planeconomie naar een dynamische markteconomie bleek veel ingewikkelder en kostbaarder, in financiele en in sociale termen, dan aanvankelijk werd verondersteld. De Oosteuropeanen leerden de harde kant van het kapitalisme kennen. Bedrijfssluitingen, ontslagen, geldsanering en prijsstijgingen waren de tol die ze moesten betalen voor het afscheid van de communistische zekerheden. Alleen in de voormalige DDR stroomde het geld toe. Maar de miljarden uit West-Duitsland fungeren voorlopig meer als vangnet voor de gevolgen van de afbraak van het socialisme dan als katalysator voor een nieuw begin.

IN DE ONTREDDERING tussen plan en markt dreigt in Oost-Europa een soort oerwoud-kapitalisme te ontstaan, waarbij hebzucht verward wordt met ondernemersschap en de Poolse automarkt in Utrecht meer aantrekkingskracht heeft dan de sociale markteconomie. Het Oosteuropese dilemma is dat er geen tijd is voor geleidelijkheid en dat in enkele jaren moet worden ingehaald wat elders eeuwen heeft gekost. De wortels van de Westeuropese dynamiek liggen in de late Middeleeuwen, in de industriele revolutie, in de 19-de eeuwse kapitalistische expansie en in de opkomst van sociaal-democratie. Het hedendaagse kapitalisme is evenzeer een economisch als politiek en filosofisch produkt.

Terwijl die ideologische achterstand slechts geleidelijk kan worden ingehaald, moet de infrastructuur van Oost-Europa snel worden verbeterd. Westerse investeerders zullen afzijdig blijven zolang de telefoon- en faxlijnen ontbreken, de wegen, de spoorlijnen en de huisvesting ontoereikend zijn. Wie nu uit het Westen naar Oost-Europa gaat, moet gelokt worden met een ontberingstoeslag.

Verbetering van de infrastructuur is geen taak voor de vrije markt, maar voor de overheid. Parallel met de New Deal van Franklin Roosevelt in de jaren dertig moeten voor de Oosteuropese landen programma's worden opgezet waarbij overheidsgeld wordt gebruikt om werklozen in te zetten voor verbetering van de infrastructuur. Werkverschaffing is te verkiezen boven afhankelijkheid van uitkeringen en zo'n Nieuwe Aanpak kan de basis vormen voor een latere expansie van de markteconomie.

DE DEMOCRATIEEN van Oost-Europa staan voor een economische uitdaging waarvoor geen handboeken beschikbaar zijn. De wederopbouw in West-Europa na de Tweede Wereldoorlog biedt weinig aanknopingspunten: de ondernemerszin was in 1945 niet uitgeschakeld en het herstel van de oorlogsschade was een nationale uitdaging. De eendrachtige samenwerking tussen overheid, vakbonden en particulier bedrijfsleven uit die jaren is in Oost-Europa niet te herhalen omdat er geen particuliere bedrijven, zelfstandige vakbonden en met markteconomie vertrouwde bureaucraten zijn om op terug te vallen. Alles moet van de grond af aan worden opgebouwd. Bovendien moeten alle inspanningen van de voorafgaande 45 jaar worden afgedaan als een jammerlijke vergissing, een voetnoot in de geschiedenis. Dit vormt een psychologische barriere voor de economische omschakeling.

De Verenigde Staten stelden na de oorlog dertien miljard dollar Marshall-hulp beschikbaar voor de wederopbouw van West-Europa. Ook de Oosteuropese landen zijn aangewezen op miljardenhulp om hun economieen te versterken. Vanaf vandaag zal een deel van die hulp worden verstrekt door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, die in Londen onder leiding van de Fransman Jacques Attali officieel met haar werkzaamheden begint. De bank heeft tien miljard ecu (23,5 miljard gulden) tot haar beschikking om de omschakeling van plan- naar markteconomie te financieren en zal daarmee een bijdrage leveren aan de Nieuwe Aanpak voor Oost-Europa.

Geld is nodig, maar dat is niet genoeg. Een succesvolle markteconomie heeft behoefte aan een maatschappelijk draagvlak waarin ondernemersschap en sociaal-economische eensgezindheid zijn verankerd.

Daarvoor zijn tijd en ruimte voor eigen initiatief onontbeerlijk. De mensen in Oost-Europa moeten zelf de creativiteit kunnen ontplooien om in vrijheid een succesvolle markteconomie tot stand te brengen.