De Nederlandse sporter is onverschillig

Hoe onverschillig de Nederlandse sporter is, blijkt uit het evaluatierapport van de landelijke campagne 'Blessures blijf ze de baas'. Hieruit blijkt dat de sporter nog steeds denkt dat hij zelf maar heel weinig kans loopt op een blessure.

Gezien het aantal kwetsuren per dag, ruim drieduizend, is dit nogal merkwaardig. Is de sporter dan laks als het gaat om 'de risico's van het vak'?

De massamedia werden ruimschoots ingeschakeld tijdens de campagne van de Stichting Consument en Veiligheid en het Nationaal Instituut voor de Sportgezondheidzorg. Twee jaar geleden werd begonnen met een Postbus 51 tv- en radiospot, een videoprogramma en er waren advertenties en affiches. De sporters moesten de boodschap op zichzelf gaan betrekken en inzien dat zij ook de kans lopen op een blessure.

Uit de evaluatie bleek deze betrokkenheid totaal te ontbreken. Het onderzoeksteam van de Stichting Consument en Veiligheid geeft hiervoor tijdens een seminar op sportcentrum Papendal twee verklaringen. De voorstudie bood te weinig aanknopingspunten voor de voorlichting en de verwachtingen ten aanzien van de eenmalige Postbus 51-campagne waren te hoog gespannen. Om sporters bewust te maken van het blessureprobleem moet de actie worden herhaald, veronderstelt de SCV. Daarnaast zal meer onderzoek moeten worden gedaan onder de doelgroep van de campagne (sporters in de leeftijd van 13 tot 25 jaar).

Om deze groep jongere sporters te bereiken, is een videofilm op de markt gebracht voor middelbare scholen met de titel 'Diederik en Sylvia'. In de film krijgt een klas te maken met sport en blessures.

Maar vooral de liefdesaffaire, die als een rode draad door het verhaal loopt, trekt de aandacht. In hoeverre de jeugdige sporter de film nog serieus zal nemen na het zien van twee kussende - maar met scheenbeschermers uitgeruste - tieners, is de vraag. Een van de aanwezigen in de zaal merkte dan ook cynisch op dat met deze video meteen het aidsprobleem kon worden aangepakt.

Talloze onderzoeken zijn gekoppeld aan het preventieproject. Zo werden diverse sporten apart onderzocht op specifieke blessures. Typerend is dat het probleem bij elke sport toch op hetzelfde neerkomt: er wordt te weinig gerekt en gestrekt, het schoeisel is vaak van slechte kwaliteit en na een blessure wordt de training te snel hervat. Hierin is dus na twee jaar weinig verandering gekomen. Wel bleek dat de kennis van de warming-up is toegenomen, maar de handeling zelf niet.

Dit onderstreept de onverschilligheid van de Nederlandse sporter. Zeventig procent van de groep die geinterviewd werd over de campagne zei van het bestaan van de actie af te weten, meldde de betrokken instanties trots. Dit aantal werd echter gemeten na de derde ronde, bij dezelfde mensen als van de eerste. “Daar heb je die man weer over die blessures. Natuurlijk heb ik daar intussen van gehoord”, moeten veel ondervraagden gedacht hebben.

Het uitgebreid opgezette hockey-onderzoek, zojuist afgerond met het oog op de hockey-actie in september, leverde ook verassende resultaten op. Het spelen op kunstgras brengt niet meer risico met zich mee dan hockeyen op een echt grasveld. Wel verschilt de aard van de blessure.

De onderzoekers van TNO kwamen er achter dat op kunstgras voornamelijk schaafwonden aan de orde van de dag zijn. Met deze informatie op zak kunnen de projectleiders weer een half jaar aan de slag.

Dat bewustwording niet alle blessures voorkomt, blijkt uit het feit dat twee sprekers op het seminar de buhne bestegen met krukken.