De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Ik logeer nu een week bij Emmie en de laatste zes dagen heb ik sterk de indruk dat ze wil dat ik opdonder, oplazer, opsodemieter, opkras, opstap, oprot. U ziet dat ik al aardig Nederlands leer. Geef Op! Schiet Op! Kom Op! Eet Op! Drink Op! Wie zou die Op toch zijn?

Ik wil wel weg, maar ik vrees dat ik dan m'n zwarte jekkie zal moeten teruggeven dat ik aan haar kapstok vond. Ze heeft al eens gezegd: “Dat jekkie stond mij ook goed.”

“Voor vijftig piek verkoop ik het je”, zei ik toen. En ze lachte, maar dat was de tweede dag.

Ze is niet dankbaar. Neem de wc-rollen. Wie in het Westen naar het toilet gaat in bios, cafe of bibliotheek, die ziet daar een rol hangen. De een heeft aan een velletje genoeg, de ander verbruikt meer.

Ik neem altijd de hele rol mee, als-ie niet te dun is. Vaak ligt er voor de zekerheid een nieuwe rol bij. Dan neem ik die ook mee.

Dus ik kom tegen vijf uur (om vijf uur gaan haar flessen open. Ze koopt ze 's ochtends, maar ze blijven tot vijf uur dicht. Dit is Moskou niet) bij haar met drie aangebroken en twee nieuwe rollen.

“Gadverdamme nee, rollen van een ander.” “Ze zijn heus niet gebruikt hoor.”

“Ik koop altijd van dat zachte papier.” “Jammer. In Moskou zou ik ze goed kunnen verkopen. Hoe raak ik ze hier kwijt?”

“Verkoop ze op koninginnedag.” “Koningin? Wat heeft zij eraan?”

“Op de verjaardag van de koningin verkopen alle mensen al hun dingen op alle straten aan alle mensen. Dertig april is dat.”

Ik bewaar mijn buit dus tot 30 april in een prachtige zwartglimmende zak die hier des nachts zomaar op straat is te vinden.

Elke dag drinken we op wat ze gekocht heeft. Waar ik van hou, vraagt ze. Maar dat weet ik niet; als er maar alcohol in zit. Op een dag zie ik het woud lege flessen en bied ik aan: “Zal ik ze even terugbrengen?”

Zij, blij dat ik even opvertrek: “Ja, na de sigarenboer linksaf, dan kom je op een pleintje, daar kan je ze kwijt.”

Twintig flessen draag ik. Wat zou het statiegeld zijn? Een plastic colafles is een gulden. Dus voor deze glazen sierflessen krijg ik zeker vijfentwintig piek. Ik kom op het pleintje. Geen winkel te zien.

Wel een grote ijzeren bak met een ronde mondopening, waar heerlijke geuren van cognac, sherry, grappa en bier uit opstijgen. Een automatische flessenterugneemmachine!

Ik gooi de eerste fles erin. Waar komt het statiegeld uit? Ik zie niets. Ik gooi nog een fles. Bak geeft niets terug. Waarom lopen de mensen dan hierheen om hun flessen weg te gooien? Om de kosten van de glanzendzwarte zakken te besparen?

Naar cafe om inlichtingen. Weer krijg ik alleen een lid van de Onderklasse te spreken. Niemand had me verteld dat het Nederlandse volk verdeeld is in twee kasten.

Er is de kaste van de aardige, ontspannen mensen die alle tijd voor je hebben, overdag uren op muurtjes en terrasjes zitten en graag over Rusland praten, waar ze meer van weten dan ik. Ze werken niet. Ze hebben “een uitkering”, dat is geld waar je niets voor hoeft te doen. Voor mij was dat: de Adel.

De andere klasse is veel moeilijker aan het kletsen te krijgen. Ze werken. Ze hebben niet veel tijd voor je. Die beschouwde ik als: het Proletariaat.

Maar hier zien ze het andersom. De jongens met de uitkering zien zich als de Onderkant. De anderen die een baan hebben, dat is de Bovenkant.

Emmie heeft een baantje. Die lui zijn zo rijk! Emmie: “Wat ik nodig heb, dat bezit ik. Het is dat jij zoveel drinkt, daarom heb ik voor het eerst een limiet aan mijn uitgaven moeten leggen. Ik streef alleen naar immateriele dingen.”

Ze bedoelt waarschijnlijk de Liefde, maar daar heb ik geen tijd voor. Ik moet een kapitaal bijeenbrengen, zodat ik naar Amerika kan en daar miljonair worden. Dan komt de liefde aan de beurt.

“Zoek werk”, zegt Emmie. Dat is mijn wachtwoord. Ik verlaat haar. Op!

(Wordt vervolgd)