Vissers van Atjeh duiken naar de grootste schat aller tijden

JAKARTA, 13 april - Sinds een paar weken doorkruisen vissers de wateren rond Kaap Jambu Aye zonder hun netten uit te gooien. In plaats daarvan duiken zij naar de zeebodem, op zoek naar iets anders dan vis. Er zou wel eens waarheid kunnen schuilen in de oude verhalen die de vissers van Atjeh elkaar al generaties lang vertellen, over een schat op de bodem van de zee.

Een Indonesische bergingsmaatschappij, bijgestaan door een Amerikaanse archeoloog, zou 8 kilometer uit de kust van Noord-Sumatra het wrak hebben gevonden van de Flor de la Mar, een Portugees galjoen met aan boord de grootste schat die ooit op zee verloren ging.

In 1511 sloeg de Portugese admiraal Alfonso de Albuquerque het beleg voor de machtige handelsstad Malacca - in wat nu Maleisie is. Hij wist het verzet van de sultan te breken en plunderde het koninklijk paleis.

De buit werd aan boord gebracht van de Flor de la Mar, Alfonso's vlaggeschip. Volgens Portugese archiefstukken ging het om 200 kisten met edelstenen en verder goud, juwelen, munten, beeldjes en andere kunstvoorwerpen. De Flor de la Mar zette samen met drie galjoenen en een Chinese jonk koers naar Lissabon om althans een deel van de schat aan te bieden aan de koning van Portugal.

Voor de kust van Sumatra verzeilde het konvooi in een vliegende storm. De schepen liepen op een koraalrif en vergingen - alle vier. Admiraal Albuquerque behoorde tot de vijf overlevenden. Later zou hij zijn zoon vertellen waar de Flor de la Mar met zijn rijke lading was gezonken.

Die tekende aan de hand van zijn vaders aanwijzingen een kaart waarop de plaats van de schipbreuk stond aangegeven.

Een duiker van een Amerikaanse oliemaatschappij vond in 1978 voor de Sumatraanse kust een bronzen kanon dat later afkomstig bleek van de Flor de la Mar en nam het mee naar Boston. In 1989 beweerde de Italiaanse diamantair Bruno De Vincentiis dat hij het galjoen gevonden had. Hij schatte de lading - goud, juwelen, beelden en meubels - op 9 miljard dollar. De Vincentiis en zijn Australische partner, de maritiem historicus Paul Andell, vroegen aan de Indonesische autoriteiten vergunning om het wrak te bergen, maar kregen nul op het rekest.

Sinds 1986 is het buitenlanders verboden in Indonesische wateren naar schatten te zoeken. Dat verbod kwam af na de rel rond De Geldermalsen.

Dit schip van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) verging in 1752 in de Straat van Malacca.

Pag. 4:

'Flor de la Mar is nog niet gelokaliseerd'

De Engelsman die De Geldermalsen in 1986 borg, beweerde dat het wrak in internationale wateren lag. De lading, enkele tienduizenden stuks Chinees porselein uit de tijd van de Qing Dynastie en 125 goudstaven, werd geveild door Christie's in Amsterdam. De Nederlandse staat kreeg als wettige opvolger van de VOC 10 procent van de opbrengst van 37 miljoen gulden. Later stelde een onderzoeksteam van het Indonesische ministerie van justitie vast dat het wrak van De Geldermalsen in feite binnen de territoriale wateren van Indonesie lag.

Op 19 maart belegde de heer Tjetty, president-directeur van de Indonesische bergingsmaatschappij P.T. Jayatama Istikacipta, in Singapore een persconferentie. In juni zouden zijn mensen met behulp van elektro-magnetische en sonarapparatuur op 8 kilometer ten noorden van Tanjong Jambuair, voor de kust van de Sumatraanse provincie Atjeh, de resten van een schip hebben gevonden. Een grondige analyse van enkele munten en stukken hout van het wrak zou hebben uitgewezen dat het om een Portugees schip ging uit het begin van de 16de eeuw. Pas in maart, aldus Tjetty, zou het team de bevestiging hebben gekregen dat het was gestuit op de grootste onderzeese schat aller tijden: het Portugese galjoen Flor de la Mar.

Tjetty taxeerde de lading op zo'n 1 miljard dollar, maar zei zeker te weten dat een en ander op de veilingen van New York en Geneve wel 7 tot 9 miljard dollar zou opbrengen. De bergingsactiviteiten, die in oktober wegens de invallende moesson zijn gestaakt, zullen in mei worden hervat.

P.T. Jayatama Istikacipta heeft volgens Tjetty van de Indonesische autoriteiten het alleenrecht gekregen om het schip te bergen.

Krachtens een overeenkomst uit 1989 krijgen de staat en de onderneming ieder de helft van de veiligopbrengst. De overheid behoudt zich het recht voor om voorwerpen van historische waarde buiten de veiling te houden.

De bergingsmaatschappij is voor tweederde eigendom van de Indonesische zakenman Sudwikatmono, een neef van president Soeharto, en de Salim Groep, het grootste particuliere concern van Indonesie. De groep wordt geleid door Liem Sioe Liong, een van de rijkste mannen ter wereld. Het resterende deel is eigendom van een holding-maatschappij waarin Tjetty het grootste aandeel heeft. Het bedrijf laat zich adviseren door de Amerikaanse maritieme archeoloog Robert Marx. Marx, die in zijn leven al honderden antieke wrakken heeft gelicht, bood Tjetty's bedrijf begin vorig jaar zijn diensten aan, nadat hij de kaart van Albuquerque's zoon onder ogen had gehad.

Rond deze vondst van de eeuw wordt inmiddels een merkwaardig schimmenspel opgevoerd. De eerste officiele reactie op Tjetty's aankondiging kwam op 21 maart van Sudomo, Indonesie's coordinerend minister voor politiek en veiligheid. Hij noemde het verhaal “alarmerend en misleidend”; het zou veel weg hebben van “het wekken van een slapende tijger”. Sudomo is admiraal b.d. en ging nog onlangs op zijn oude strepen staan toen hij de marine verweet niet hard genoeg op te treden tegen de piraten in de wateren van Kalimantan. Hij is tevens voorzitter van het Nationale Comite voor Berging van Waardevolle Voorwerpen uit de Lading van Gezonken Schepen.

Dit comite werd in 1989 bij presidentieel decreet opgericht als staartje van de De Geldermalsen-affaire. Het heeft de supervisie over alle pogingen tot berging van de naar schatting 300 Portugese, Spaanse, Nederlandse, Chinese en Britse schepen die de afgelopen eeuwen zijn vergaan in de Indonesische archipel.

Sudomo zei dat de bergingsmaatschappij regelmatig verslag dient uit te brengen aan de voorzitter van het comite. Hij had echter nog niets gehoord en wachtte bovendien nog steeds op een officiele bevestiging van de vondst.

Sudomo zorgde vorige week voor een verrassende wending toen hij tegenover journalisten verklaarde dat “de Flor de la Mar in werkelijkheid nog niet is gelokaliseerd”. “Ik heb nog steeds geen positief bericht van onze duikers ter plaatse”, aldus de minister.

Hij suggereerde dat de bergingsmaatschappij in geldnood zit en de vondst valselijk heeft aangekondigd in een poging buitenlandse fondsen aan te trekken. Het bedrijf heeft al 20 miljoen dollar besteed aan de operatie.

Terwijl de Indonesische marine regelmatig patrouilleert in de buurt van de vermeende lokatie om buitenlandse schatzoekers op een afstand te houden, blijven de vissers van Atjeh hun geluk beproeven. Tot dusverre zonder resultaat. Maar het is de vraag of Tjetty's supersyndicaat, Albuquerque's kaart ten spijt, wel weet waar de Flor de la Mar op de zeebodem rust.