Van nu af is het niet Vrij Atjeh maar Vrij Sumatra; Hasan di Tiro, leider van Atjeh's verzet

Sumatra moet zich losmaken uit de Republiek Indonesia. Daartoe zal de guerrilla-oorlog in Atjeh nog dit jaar worden uitgebreid naar de rest van het eiland. Binnen twee jaar moet Sumatra een confederatie van autonome staten worden, naar het model van Zwitserland. Dat is het niet weinig ambitieuze programma van dr. tengkoe Hasan Mohammed di Tiro, leider van de Atjehse onafhankelijkheidsbeweging Angkatan Aceh Sumatra Merdeka, beter bekend als Aceh Merdeka: Vrij Atjeh.

''De Javanen zullen er spoedig achterkomen waar de Nederlanders lang voor hen achterkwamen'', zegt tengkoe di Tiro in een hotelkamer ergens in Zwitserland. ''Er is voor hen geen andere weg dan: eruit! En als ze uit Atjeh vertrekken, zal ik ze elders op Sumatra opvangen. Dat is mijn nieuwe politiek nu: ik ga de oorlog over heel Sumatra uitbreiden.

Van nu af is het niet meer Vrij Atjeh, maar Vrij Sumatra.'' Tengkoe Hasan di Tiro is een kleine gedrongen man, opmerkelijk energiek voor zijn zestig jaar. Hij heeft vriendelijke ogen, die niettemin hetzelfde soort onverzettelijkheid uitstralen waarmee zijn voorvaderen drie generaties lang de Nederlanders in Atjeh bevochten.

Daarbij werd zijn familie in de mannelijke lijn bijna geheel uitgeroeid. Als dat aan de orde komt, kan hij soms van emotie niet verder spreken.

Zelf heeft tengkoe Hasan di Tiro de wapens opgepakt in 1976. Hij begon een guerrilla-oorlog tegen wat hij ziet als de 'Javaanse overheersing van Atjeh'. Na tweeenhalf jaar moest hij de strijd opgeven. Hij vertrok naar het buitenland, waar hij sindsdien onvermoeid steun voor zijn zaak tracht te organiseren. En volgens hemzelf niet zonder succes.

Twee jaar geleden begon een nieuwe guerrilla in Atjeh, eerst nog op kleine schaal, maar langzamerhand steeds verwoestender. De buitenlandse pers berichtte verleden jaar dat aanhangers van Hasan di Tiro een militaire training hadden gekregen in Libie, voordat zij naar Atjeh terugkeerden om de strijd te beginnen. Hasan di Tiro ontkent dat niet, maar hij relativeert de betekenis: ''De Libiers geven beurzen aan de hele moslimwereld. Duizenden Atjehers zijn in Libie naar school geweest. De scholing die zij daar kregen hoeft niet beperkt te zijn gebleven tot niet-militaire zaken.

Onze beweging mag niet als besmet worden gezien omdat mijn mensen in het buitenland een militaire school hebben bezocht, net zoals de Javanen naar de KMA in Breda of naar Sandhurst gaan. Toen mijn mensen thuis kwamen, hebben ze zelf nog eens duizenden anderen getraind. Waar ze oorspronkelijk hun opleiding kregen, is nu niet relevant meer. Ik heb tienduizenden getrainde mannen in Atjeh.''

ZES MAANDEN

De contacten van Hasan di Tiro zijn niet beperkt gebleven tot Libie.

Hij zegt goede relaties te hebben met diverse landen in Afrika en Azie, maar wil niet zeggen welke. ''Wacht nog zes maanden. Dan zal de hele wereld meer van ons afweten. Dan zullen wij onze betrekkingen met diverse staten bekendmaken.''

Tegen die tijd moet de Confederatie Sumatra duidelijker contouren hebben gekregen en zal volgens Hasan di Tiro de strijd tegen het Indonesische leger van Atjeh naar andere delen van Sumatra zijn uitgebreid.

Tengkoe di Tiro ontkent dat Atjeh in die confederatie de baas wil spelen en maakt zich ook geen zorgen over de positie van de christelijke Bataks in een overigens geheel moslims land: ''Ik beweer niet dat de Atjehers heel Sumatra moeten regeren, maar ik meen dat de lotsbestemming van Sumatra bij die van Atjeh hoort. Toen de Nederlanders Atjeh in 1873 de oorlog verklaarden, behoorde heel Sumatra formeel onder Atjehse soevereiniteit. En toen zij in 1942 vertrokken, behoorden we terug te keren tot de status quo. Dus heel Sumatra moet aan Atjeh worden teruggegeven. Alleen zal onze toekomstige status er een moeten worden van een confederatie zoals in Zwitserland. Dus een staat Minangkabau, Riau, Lampung, Batak en allemaal zelfbesturend, net als in Zwitserland. En allemaal met dezelfde wettige status als Atjeh.''

Al die staten zullen hun eigen staatsvorm mogen kiezen, meent tengkoe di Tiro. ''Atjeh zal een islamitische staat zijn. Om sommige Westerse waarnemers tevreden te stellen, wil ik wel een referendum organiseren, maar ik ben ervan overtuigd: het zal een islamitische staat worden.

Democratie moet het probleem van de godsdienst oplossen, niet alleen bij ons, maar ook in Minangkabau en onder de Bataks: als die een christelijke staat willen, laat ze hun gang gaan.''

Of er op Sumatra veel animo zal bestaan voor de confederatie van Hasan di Tiro is zeer de vraag. Het idee van een eenheidsstaat is in Indonesie immers inmiddels vrij algemeen aanvaard. Maar Hasan di Tiro zegt dat hij al contacten heeft met diverse oppositiegroepen, ook onder de christelijke Bataks. Dan nog blijft het een probleem hoe het sterke en goed bewapende Indonesische leger uit Atjeh, en vervolgens uit heel Sumatra, moet worden verdreven. Dat lijkt een onmogelijke opgave.

Jakarta heeft nu een legermacht van 12.000 man in Atjeh staan, en kan die op elk gewenst moment verder opvoeren. Guerrillastrijders van Aceh Merdeka voeren aanvallen uit op legerpatrouilles en fabrieksinstallaties die volgens hen met 'Javaans kapitaal' zijn gefinancierd. Het leger reageert met massale arrestaties en represailles in de dorpen.

MASSAGRAVEN

De Indonesische pers, die tegenwoordig een stuk meer mag schrijven dan enkele jaren geleden, berichtte eind vorig jaar over een heropleving van het verschijnsel der 'mysterieuze moorden' uit de jaren '83 tot '85. Volgens het weekblad Tempo werden dagelijks langs de openbare weg lijken aangetroffen met samengebonden handen en voeten, en kogelgaten in het hoofd. Volgens medewerkers van het Indonesische Instituut voor de Bescherming van Mensenrechten (LPHAM) en de Amerikaanse mensenrechtenorganisatie Asia Watch zit het leger daarachter.

Ook zijn in heel Atjeh massagraven aangetroffen, zoals in juni verleden jaar in Alue Mira, waar volgens het persbureau Reuter 200 lijken in lagen. In november 1990 citeerde Reuter een Indonesische legerarts, die meende dat op dat moment al ten minste duizend mensen waren omgekomen. Maar mensenrechtenactivisten in Jakarta menen dat het er vermoedelijk al zeker 5.000 zijn.

Tengkoe di Tiro stelt het aantal doden na enige aarzeling - ''het is moeilijk precies te schatten'' - op 10.000 in twee jaar, waarvan alleen al de eerste drie maanden van dit jaar duizend. Hij laat mij een stapel van honderden brieven zien, die hij tussen december en maart uit Atjeh heeft gekregen en waarin burgers hem verslag doen van moord, doodslag en marteling door Indonesische soldaten.

Volgens de regering zijn al die excessen begaan door aanhangers van Aceh Merdeka, die zij overigens GPK noemt, een acroniem van 'Bende van Ordeverstoorders'. De GPK zou bestaan uit handelaren in marihuana, die gefrustreerd zijn geraakt door een overheidscampagne tegen hun activiteiten, en deserteurs uit het leger. Hasan Tiro noemt dat onzin.

''De Indonesische regering erkent Aceh Merdeka niet, en zij erkent mij niet als leider. Ze beschuldigt alle betrokkenen van drugshandel en criminele activiteiten. Als het leger gevangenen vrijlaat, moeten die een verklaring ondertekenen waarin ze beloven loyaal te zijn aan de staatsfilosofie Pancasila en de grondwet van 1945. Maar ook moeten ze zweren dat zij de rebellie van Hasan di Tiro niet zullen volgen. Hier, kijk maar.''

Hij laat mij een document zien zoals dat bij enkele vrijlatingsceremonieen in Oost-Atjeh is ondertekend door voormalige gevangenen.

''Mijn naam wordt drie keer genoemd in dit document. En dan zeggen ze nog dat de beweging zonder leider is, en alleen uit criminelen bestaat!''

De guerrilla in Atjeh woedt vooral langs de kust van Straat Malakka, waar buitenlandse investeerders grote belangen hebben in aardgas, papier, houtkap, cement en plantage-landbouw. Tengkoe di Tiro houdt hen wegens hun steun aan de regering-Soeharto ''medeverantwoordelijk voor het doden van Atjehse burgers''.

Hij heeft een boodschap voor de leden van het hulpconsortium IGGI (Inter Gouvernementele Groep voor Indonesie): ''Zij moeten binnen drie maanden hun investeringen uit Atjeh terugtrekken. Doen zij dat niet, dan kan Atjeh Merdeka hun belangen niet langer beschermen.'' Tot dusver heeft Atjeh Merdeka de buitenlanders in Atjeh ongemoeid gelaten. Maar hij ''sluit niet uit, dat daar verandering in zal komen''.

Tot de IGGI behoren alle belangrijke industrielanden, de Wereldbank en de Asian Development Bank. Het consortium staat onder voorzitterschap van Nederland en geeft jaarlijks vier tot vijf miljard dollar hulp aan Indonesie. De volgende vergadering is op 11 en 12 juni in Den Haag.

VIDEOBANDEN

Hasan Tiro is, sinds hij in 1979 Atjeh verliet, naar eigen zeggen vele malen teruggeweest, de laatste keer in juni verleden jaar. Hij laat mij twee videobanden zien. Op de ene spreekt hij - ''in het Maleis, niet in het Atjehs, want dat verstaan ze niet'' - de bevolking van Sumatra toe om haar op te roepen zich van Indonesie af te scheiden.

Die band wordt op het ogenblik in heel Sumatra clandestien vertoond. Op de andere tape zie ik hem op een open plek in het oerwoud een militaire vlaggenceremonie leiden, in het gezelschap van zeker vijftig in camouflage-uniformen gestoken jonge mannen. ''Dat was verleden jaar in Atjeh'', zegt hij.

Mogelijk nog dit jaar gaat hij opnieuw, en deze keer om te blijven. ''Ik heb mijn taak in het buitenland afgerond. Ik ga terug naar huis.''

Uit zijn paperassen diept hij een brief op, die zijn moeder tengkoe Potjut (prinses) Fatima in 1964 vlak voor haar dood schreef aan zijn oudere broer tengkoe Zainul Abidin, die in 1975 is overleden. Hij probeert mij de brief voor te lezen, maar het lukt niet; zijn stem is verstikt door tranen. Op zijn verzoek neemt zijn secretaris en lijfwacht de taak over, langzaam vertalend in het Engels.

''Mijn zoon. Ik heb alleen jullie tweeen nog nu, en nu ik doodga kan ik niet meer op jullie passen. Alleen in Akhira (het hiernamaals) ontmoeten wij elkaar weer. Ik herinner jullie eraan, en geef deze boodschap ook aan Nja Hasan: verzaak niet het erfgoed van onze voorvaderen, de volgelingen van de grote profeet van de islam. Zij hebben de aarde van Atjeh met bloed geplengd om de godsdienst van Allah en dit land van ons, Atjeh, te verdedigen. Vergeet niet jullie verplichtingen aan de islam.''

Als de secretaris is uitgelezen, blijft het minutenlang stil. Dan slikt tengkoe Hasan Mohammed di Tiro zijn tranen weg en zegt zacht: ''Dit is zeer belangrijk voor mij: het erfgoed van mijn voorvaderen verdedigen, die hun bloed gaven om de godsdienst in Atjeh te verdedigen. En iedere moeder in Atjeh zegt dit tegen haar kinderen.''

Helemaal rustig was het nooit

Het is een historische noodzaak, schrijft tengkoe Hasan Mohammed di Tiro in zijn boek The Price of Freedom, ''dat een nieuwe generatie di Tiro tengkoes de verplichting op zich neemt om Atjeh van vreemde overheersing te bevrijden.'' Achter die ene zin gaat een lange familietraditie van islamitisch geinspireerd verzet schuil.

De Tiro-tengkoes zijn een oud geslacht van oelama's (godsdienstleraren), dat in de geschiedenis van Atjeh een belangrijke rol heeft gespeeld. In het plaatsje Tiro in het district Pidie (Noord-Atjeh) hadden zij een godsdienstschool, waar de voornaamste Atjehse families hun kinderen naar toe stuurden om een islamitische opvoeding te krijgen.

Het hoofd van de Tiro-familie was van oudsher tevens de officiele godsdienstleider van Atjeh. Hij was lid van de staatsraad, die optrad als regent zolang de sultan nog een kind was. Dat was het geval in 1873, toen Nederland het onafhankelijke sultanaat Atjeh de oorlog verklaarde en een invasiemacht aan land zette.

Al vanaf het begin van de Atjeh-oorlog hadden de Tiro-oelama's een belangrijk aandeel in het volksverzet tegen de Nederlandse overheersing. Zij riepen die strijd uit tot heilige oorlog tegen de ongelovigen en traden ook zelf op als aanvoerders van guerrilla-groepen die uit het woeste binnenland van Noord-Atjeh aanvallen deden op Nederlandse versterkingen en konvooien. De strijd was zeer verwoestend en duurde veertig jaar. Zeker honderdduizend Atjehers sneuvelden, twintig procent van de toenmalige bevolking.

Toen in 1903 sultan Mohammed Daoed en de belangrijkste feodale hoofden, de hoeloebalangs, zich overgaven, gingen de oelama's door met de strijd. Opnieuw namen de Tiro's de leiding, en zij vochten zich letterlijk dood. In december 1911 werd de laatste volwassen Tiro-oelama gedood in de bossen bij Tangse. Hij was zestien jaar. Met zijn dood waren drie generaties Tiro-tengkoes in de strijd gebleven.

De familie di Tiro bestond nu nog slechts uit vrouwen en kinderen. Een van hen was tengkoe Potjoet Fatima, een kleindochter van de befaamde verzetsstrijdster Tjoet Njak Din. Zij werd in 1930 de moeder van tengkoe Hasan Mohammed di Tiro.

Het duurde nog tot 1913 voordat ook de laatste gewapende aanhangers van de Tiro-oelama's waren gedood of gearresteerd. Atjeh kon eindelijk tot 'gepacificeerd gebied' worden uitgeroepen.

Maar helemaal rustig werd Atjeh nooit. Er braken diverse plaatselijke opstanden uit; de laatste in 1942, vlak voor de Japanse inval. In 1945 kwam Nederland niet terug naar Atjeh. Voor het eerst sinds 72 jaar waren de Atjehers vrij van vreemde overheersing. Prompt brak er een burgeroorlog uit tussen hoeloebalangs en oelama's, die nog een appeltje met elkaar te schillen hadden.

De oorlog duurde van december 1945 tot februari 1946 en eindigde in een totale overwinning voor de oelama's. De hoeloebalangs moesten zwaar boeten voor hun collaboratie met de Nederlanders; zij werden gedecimeerd en uit alle belangrijke bestuursposten verdreven.

Maar Atjeh verklaarde zich niet onafhankelijk. Onder leiding van Mohammed Daud Beureuh, een oelama van de oostkust, sloot het zich bij de Republiek Indonesie aan. In de jaren vijftig woedde er opnieuw een guerrilla-oorlog, toen Soekarno Atjeh wilde samenvoegen met de provincie Noord-Sumatra. De oorlog eindigde ermee dat Atjeh de status van Speciaal Gebied kreeg, met autonomie op het gebied van rechtspraak, godsdienstzaken en onderwijs. Maar het bleef een Indonesische provincie.

Dat was niet naar de zin van tengkoe Hasan di Tiro en een aantal van zijn medestanders. De jonge di Tiro was in 1950 naar de Verenigde Staten vertrokken, waar hij rechten studeerde en een carriere als zakenman opbouwde. In 1976 was hij zo rijk geworden dat hij op eigen kosten een gewapende opstand kon organiseren. Hij keerde in het geheim naar Atjeh terug en begon een guerrilla in de bergen van Pidie.

Daar hield hij het tweeenhalf jaar uit. Toen waren zovelen van zijn naaste medewerkers gedood en gearresteerd, dat hij naar het buitenland moest vertrekken. Sindsdien hield hij zich bezig met het organiseren van steun voor een nieuwe guerrilla tegen het Indonesische bestuur over Atjeh.

De golf van geweld die Atjeh sinds twee jaar teistert, is volgens vele politieke waarnemers vooral te wijten aan ontevredenheid over de vermeende ongelijke verdeling van de welvaart in het sterk geindustrialiseerde noorden en oosten van Atjeh.

Volgens de Indonesische regering gaat het om enkele benden van in totaal hooguit vijftig man. Hasan di Tiro echter beweert dat hij duizenden gewapende aanhangers heeft, en dat het Atjehse volk achter hem staat. Hoe men ook over die aanspraak moge denken, een ding is zeker: Indonesie is met de Tiro-tengkoes nog niet klaar.

foto: Brigade marechaussee van het Nederlands-Indische leger neemt een martiale pose aan na de verovering van een inlands verdedigingswerk op Atjeh, begin deze eeuw

foto: Midden: Na de verovering van een Atjehse versterking

foto: Rechts: Hasan di Tiro