Rotterdammers gezocht

Feyenoord was ooit een voetbalclub die zo Rotterdams was als Ketelbinkie, maar het is nu een prozaisch commercieel voetbalbedrijf dat geleid wordt uit de directiekamers van het automatiseringsbedrijf HCS in Den Bosch en van IBM-Nederland in Amsterdam. De redacteuren Ter Horst en Van de Roer spreken in hun bedrijfsanalyse die zij de afgelopen dagen in deze krant aan de club hebben gewijd zelfs van een belegging. Daar lijkt niet veel consideratie met de grote historie van de club uit te spreken, maar die kwalificatie is wel overeenkomstig de werkelijkheid.

Het Feyenoord van Kieboom en Van Zandvliet is een historische notie geworden waaraan de nieuwe bestuurders met een Brabantse tongval (Van den Boogaard van HCS) of een Zweedse naam (Lundqvist van IBM) geen boodschap meer hebben. De leiding over dat historisch onthechte voetbalbedrijf is een zuivere oligarchie die de oude verenigingsdemocratie 'duidelijkheids- en slagvaardigheidshalve' heeft teruggebracht tot een structuur waarin ten hoogste nog tien mensen, maar in feite niet meer dan vijf, de dienst uitmaken. Aan de overkant van de weg, op het complex Varkenoord, waar de amateurs van Feyenoord zijn gehuisvest, volgt de oude garde van de vereniging gefrustreerd dan wel verbitterd de zorgwekkende prestaties van de profs - zonder zich nog veel in het stadion te laten zien en vooral zonder illusies de ondergang van het vlaggeschip nog te kunnen keren.

Ter Horst en Van de Roer hebben niet alleen met gevoel voor ironie aangetoond dat die zakelijke structuur Feyenoord nog weinig vooruit heeft geholpen, maar ook dat die niet werken kan. De strekking van hun relaas is dat een club die zo radicaal van zijn wortels is gerukt, gedoemd is te verdorren. Zelfs een struisvogel kan niet blind zijn voor de tekenen aan de wand: het Legioen, de eens zo vuurvaste aanhang van vijfenveertigduizend trouwe supporters die zelfs kwamen als er niets op het spel stond, is uiteengevallen in thuisblijvers en uitfluiters.

De loyaliteit van de traditionele aanhang, die in de jaren zestig en zeventig het maatschappelijk kapitaal vormde waarop Feyenoord eeuwig leek te kunnen teren, is even snel verdwenen als het sociale draagvlak waarin de band tussen Feyenoord en Rotterdam-Zuid was ingebed. De belangrijkste oorzaak van die verkoeling is gelegen in de slechte prestaties op het veld, maar de bestuurlijke ongeregeldheden van de laatste jaren (zie Ter Horst en Van de Roer) hebben daaraan ook heel wat bijgedragen. Het is tekenend voor de bestuurlijke armoede van de club dat de sponsor Van den Boogaard de ontwrichtende gevolgen van de juridische ontvlechting van vereniging en voetbalbedrijf eerder en grondiger heeft onderkend dan de Feyenoorders zelf.

Hij was de eerste die jaren geleden al uiting gaf aan zijn verbazing dat Feyenoord nauwelijks nog door Feyenoorders werd geleid. Sinds hij zich met het Rotterdamse voetbalbedrijf had verbonden was hij in het stadion en in de leiding van de club vrijwel geen autochtone Feyenoorders meer tegengekomen. Wie Van den Boogaard ook de revue liet passeren - hij had geen leidinggevende figuren geteld die in de club waren geworteld of uit Rotterdam-Zuid afkomstig waren. Het had zich tweeeneenhalf jaar geleden bij zijn eerste kennismaking al de ogen uitgewreven dat Feyenoord zo weinig Rotterdamse bindingen had. Zijn verbazing was sindsdien alleen maar toegenomen.

Die waarnemingen, waarvan hij me onlangs in een gesprek deelgenoot maakte, leken me bedoeld als een profetische waarschuwing: een door en door Rotterdamse club (Van den Boogaard sprak ongedeerd door de inflatie van de club nog met onverminderd respect over een Rotterdamse 'instelling') kan zich niet ongestraft aan zoveel uitheemse invloed overleveren. Maar achter zijn verbazing ging bezorgdheid schuil. Als de binding met Rotterdam, zo leek hij te willen zeggen, niet fundamenteel wordt hersteld wordt en de club niet snel uit zijn sociale vacuum wordt bevrijd, is Feyenoord reddeloos verloren. Het komt me voor dat die boodschap vooral voor Rotterdamse geldschieters bedoeld is.

Maar het is de vraag of er nog Rotterdamse geldschieters zijn die veel met het tegenwoordige Feyenoord op hebben. Een van de vroegere commissarissen van het stadion, de advocaat mr. A.F.A. van Velzen, een kopstuk van het oude Rotterdamse establishment, heeft een aantal jaren geleden een plan ontworpen om een kring van gerenommeerde Rotterdamse ondernemers financieel bij Feyenoord te betrekken. Hij zou daarin waarschijnlijk geslaagd zijn - zoals het in 1935 gemakkelijk was gelukt om de bouw van het stadion door Van Beuningen c.s. te doen financieren - als hij niet door het bestuur van Feyenoord was 'teruggefloten'. De toenmalige leiding van de club zag er niets in om de hand bij het bedrijfsleven op te houden. Zoiets was in de jaren van het betaalde voetbal van Feyenoord (dat vrolijk bezig was op het eigen vermogen in te teren) nog nooit gedaan en het was 'beneden de stand van Feyenoord'.

Het is de kosten van een enquete waard om de oorzaak van de geringe steun van het Rotterdamse bedrijfsleven aan Feyenoord op te sporen.

Het is toch hoogst merkwaardig dat Feyenoord met zijn centrale ligging in een gebied waar de sterkste economische ondernemingen van Nederland zijn gevestigd nooit erin isgeslaagd net zo'n economische relatie met een lokale renomme aan te knopen als PSV met Philips. Er bestaat intussen echter gerede twijfel of de Rotterdamse ondernemers voor het tegenwoordige Feyenoord - waarin ook de tycoon Van den Herik, die in die traditionele ondernemerskring niet re(c,)u is weer de lakens uitdeelt - nog wel warm willen lopen. Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om te voorspellen welke voorwaarden de hier bedoelde ondernemers aan hun financiele hulp zullen stellen. Als Feyenoord deze geldschieters over de brug wil helpen, zal het op een rechtschapener manier schoon schip moeten maken dan het in de operetterevoluties van de afgelopen twee jaar heeft gedaan. Het zal zijn basis met Rotterdam, c.q. de vereniging moeten herstellen, maar ook Rotterdammers voor de leiding moeten zoeken en de vreemdelingen die de bestuurlijke crisis op hun geweten hebben moeten weren.