President beslist deze zomer of hij voor nog eens zes jaar beschikbaar is; Waldheim houdt Oostenrijk in spanning

WENEN, 13 april - Pas volgend jaar zomer moet Oostenrijk een nieuwe bondspresident kiezen, maar nu al gaat er bijna geen dag voorbij of er is nieuws van het presidentschapsfront.

Als het niet de omstreden bondspresident Waldheim zelf is die aankondigt nog geen beslissing te hebben genomen over een hernieuwde kandidatuur, dan zorgen andere politici wel voor koppen in de kranten met hun stellige verklaringen geen kandidatuur te ambieren. Is dit een klucht of een tragedie, vragen velen zich af. Of is al dit 'nieuws'

over het hoogste ambt in de Oostenrijkse democratie alleen maar het gevolg van de behoefte van de boulevardpers om elke dag een pakkende kop te brengen? Met als motto: “Zijn er verder alleen komkommers? Dan maar Waldheim.”

Zo is het echter niet. Er is geen sprake van een klucht, noch van een tragedie. Al het geharrewar geeft een aantal politieke dilemma's weer, waar de Oostenrijkse politieke partijen nog niet uit zijn. In de eerste plaats is er het probleem hoe van Waldheim af te komen. Vijf jaar geleden mag de Volkspartij met enig enthousiasme zijn kandidatuur gesteund hebben, vandaag zijn er nog maar weinig kopstukken in deze, in de politieke gunst steeds meer teruglopende, partij die Waldheim niet als een belasting ervaren. Een belasting voor het land in zijn internationale contacten, een belasting voor de partij, die voor het herverkiezingsdilemma kan worden geplaatst, een belasting voor de samenleving, die door de Waldheim-kwestie nog altijd verdeeld wordt.

Bij een recente opiniepeiling bleek weer hoe verdeeld de kiezers zijn: bij een nieuwe kandidatuur van Waldheim voor nog eens zes jaar bondspresidentschap zei 48 procent op hem te zullen stemmen en 42 procent in geen geval. Het geeft weer dat de helft van de bevolking nog altijd vindt dat Waldheim door het boze buitenland ten onrechte als nazi aan de kaak is gesteld en dat men voor die 'hetze' niet wil wijken. Het argument van koelere hoofden in Oostenrijk dat Waldheim weliswaar geen echte nazi was, maar wel een meeloper en dat zijn verdediging “alleen zijn plicht te hebben gedaan” geen hout snijdt omdat het na de Anschluss nooit de plicht van een Oostenrijker kon zijn geweest zich in te zetten voor de nazi-Duitse zaak, wordt niet aanvaard door dat deel van de kiezers dat zich in het Derde Rijk niet anders opstelde dan Waldheim. Het argument dat de bondspresident zich door te liegen over de details van zijn oorlogsverleden heeft gediskwalificeerd voor het hoogste ambt in de staat slaat al evenmin aan.

Wat tot een groot deel van de kiezers niet blijkt te zijn doorgedrongen, maar wel alle politici zorgen baart, is het feit van Waldheims internationale isolement en vereenzaming. Zelf maakt hij wel zo veel mogelijk goede sier met elke internationale handdruk die hij weet binnen te halen, maar de beter geinformeerde Oostenrijker, met of zonder sympathie voor Waldheim, vliegt daar niet in. Hij weet dat de top-ontwapeningsconferentie eind vorig jaar niet, zoals voor de hand zou hebben gelegen, in Wenen plaats had maar in Parijs, omdat de op die conferentie aanwezige staatshoofden geen zin hadden in fotosessies met Waldheim. Hij weet dat in de huidige fase van onderhandelingen over toetreding van Oostenrijk tot de Europese Gemeenschap Waldheim niet echt een vondst is.

Wat de 72-jarige Waldheim gaat doen is intussen hoogst onzeker. Pas in juni gaat hij beslissen of hij weer zal kandideren of niet, heeft hij laten weten. En ook, dat hij zich hierbij niet zal laten leiden “door persoonlijke belangen, maar door wat voor het land het beste is”. Een niet helemaal geruststellende mededeling voor al diegenen, die weten dat Waldheim zich in zijn carriere steeds uitsluitend heeft laten leiden door zijn ijdelheid.

Lijdzaam afwachten wat de bondspresident na onderzoek van zijn eigen ziel zal beslissen heeft een heel aantal politici dan ook niet opgebracht. De dynamische burgemeester van Wenen, Helmut Zilk, heeft al geopperd dat de twee grote partijen, de socialisten en de Volkspartij, het over een kandidaat eens zouden moeten worden om een bloedig politiek gevecht om het presidentschap te voorkomen. Als die kandidaat dan Zilk zou heten zou de Weense burgemeester daar niet rouwig om zijn, was ieders stellige indruk.

In kringen van de Volkspartij had men iets anders bedacht. Wetende dat de socialisten Waldheim liever vandaag dan morgen uit de Hofburg zien vertrekken suggereerden zij dat de socialistische bondskanselier Vranitzky een goede gemeenschappelijke kandidaat zou zijn. Natuurlijk zou dat Vranitzky, die volgens opiniepeilingen de favoriete regeringsleider is van maar liefst 67 procent van het Oostenrijkse volk en als hoogst succesvol socialistisch projectiel intern al 'de V-1' genoemd wordt, uitschakelen als kanselierskandidaat. En dat zou de Volkspartij, die met haar vice-premier Riegler maar 10 procent stemmen voor het kanselierschap achter zich kreeg, goed uitkomen.

Vranitzky heeft zich dan ook gehaast om te zeggen dat hij geen presidentiele ambities heeft en regeringsleider wil blijven. Maar als het ongeleide projectiel Waldheim zich weer kandidaat stelt zal de socialistische 'V-1' misschien wel moeten kandideren om de ramp van nog eens zes jaar Waldheim te voorkomen, zo denken heel wat politieke waarnemers in Wenen.

Voor permanente onrust in Oostenrijks politiek vijver zorgt ten slotte de liberale partij FPO. Aanvankelijk sprak de FPO zich uit tegen herverkiezing van Waldheim. Maar nu deze laatste het recente FPO-partijcongres heeft bijgewoond, klinken er andere geluiden.

Partijleider Jorg Haider gooide eerst een bommetje in het water door te zeggen dat hij in persoonlijk contact met Waldheim de indruk had gekregen dat deze weer een gooi wilde doen naar het hoogste ambt. En toen zei hij dat steun van zijn partij voor Waldheim “niet uitgesloten” was.

In de nu steeds onoverzichtelijker wordende situatie begon het overal namen van kandidaten te regenen. Haider zelf werd genoemd als beste liberale kanshebber, de socialistisch minister van verkeer Streicher werd gelanceerd, uit kringen van de Volkspartij stegen de namen van minister van buitenlandse zaken Alois Mock en ambassadeur Ludwig Steiner op.

Sterretjes aan een duister firmament. Tot juni heeft Waldheim de twijfelachtige eer de Oostenrijkse politici nog een zestigtal slapeloze nachten te kunnen bezorgen.