Partner diplomaat wil zinvol bestaan

ROTTERDAM, 13 april - Jaarlijks vertrekken enkele honderden werknemers van bedrijven, overheidsinstellingen en hulporganisaties voor langere tijd naar het buitenland. Hoewel de partner (veelal de vrouw) meestal besluit haar bezigheden in Nederland op te geven en mee te gaan, is een dergelijke beslissing al lang niet meer vanzelfsprekend. Steeds vaker worden instellingen die personeel uitzenden geconfronteerd met goed opgeleide partners die weinig zin hebben een punt te zetten achter hun carriere.

De 'partnerproblematiek' staat centraal op een conferentie van gezinsleden van diplomaten uit EG-landen die volgende week wordt gehouden in Den Haag. Het ministerie van buitenlandse zaken is bang dat zich binnen enkele jaren een daling van het aantal aanmeldingen voor de opleiding tot diplomaat zal voordoen als niet meer aandacht wordt besteed aan de partnerproblematiek. Nu is het aantal aanmeldingen overigens nog vele malen hoger dan het aantal beschikbare plaatsen.

“Het aantal vragen over de mogelijkheden voor de partner in het buitenland neemt toe nu steeds meer vrouwen de diplomatenopleiding willen volgen”, zegt C. Bot, lid van de werkgroep en voorzitster van de conferentie. “Voor mannelijke partners is het namelijk veel minder vanzelfsprekend dat ze hun baan opzeggen. Ook krijgen we regelmatig te maken met diplomaten die 'om gezinsredenen' de dienst verlaten en met partners die in Nederland blijven.”

Tijdens de conferentie zal onder meer worden bekeken hoe de ontplooiingsmogelijkheden van partners in het buitenland kunnen worden vergroot. “Een aantal partners wil een betaalde baan, maar kan niet werken omdat het betreffende land geen werkvergunning geeft. Sommige Europese landen willen zelfs niet dat de partners van hun diplomaten werken”, aldus Bot.

Sinds de oprichting in 1973 vraagt de werkgroep bij het ministerie aandacht voor de problemen van gezinsleden. Niet zonder succes: partners mogen bij uitzending een talencursus volgen of een cursus internationale politiek. Ook is een beroepskracht aangesteld voor hulp aan diplomatengezinnen, varierend van advies over het onderwijs voor de kinderen tot steun bij echtscheiding.

Sinds een half jaar laat het ministerie, op initiatief van de werkgroep, onderzoek doen naar bezigheden en wensen van partners in het buitenland. Daaruit blijkt dat ongeveer 250 van de 1.100 aangeschreven partners een betaalde of onbetaalde baan hebben.

Onderzoekster I. Lemstra: “De behoefte aan werkzaamheden is groot. Allereerst omdat men zinvol bezig wil zijn, maar ook omdat veel vrouwen gehecht zijn aan een eigen baan. Verder is er de maatschappelijke noodzaak van werken: wanneer het gezin terugkeert zal de vrouw makkelijker een baan vinden als ze is blijven werken. En bij scheiding moet de vrouw financieel onafhankelijk kunnen zijn.”

Lemstra zal partners die in het buitenland willen studeren of werken indien gewenst adviseren. “Ik ben van plan contacten te leggen met plaatselijke werkgevers, maar ben beslist geen uitzendbureau.”

Ook financiele compensatie voor partners die meegaan naar het buitenland komt op de conferentie aan de orde. Een deel van hen wil een vergoeding voor bijvoorbeeld hun representatieve taak of als 'werkloosheidsuitkering' als ze geen baan kunnen krijgen. Anderen beschouwen hun taak als liefdewerk en wijzen vergoeding af. Tot nu toe heeft het ministerie geen geld aan partners uitgekeerd. De werkgroep gezinsleden ziet overigens liever dat het ministerie geld steekt in studiemogelijkheden en actief helpt bij het vinden van een baan ter plaatse.

De partnerproblematiek speelt ook in het bedrijfsleven, maar bedrijven zijn zeer terughoudend met informatie. “Werknemers weten van te voren dat ze kunnen worden uitgezonden. Als ze dat niet willen, zullen ze niet solliciteren”, aldus een woordvoerder van Shell. Ook bij Philips is “voldoende animo om naar het buitenland te gaan. Als je niet wilt hoef je niet, maar bepaalde carrierelijnen zijn dan wel uitgesloten of moeilijk begaanbaar”, zegt een woordvoerder.

“Geen wonder dat de bedrijven het probleem bagatelliseren, ze zitten er vreselijk mee in hun maag”, volgens drs. I. Groenen, antropologe aan het Koninklijk Instituut voor de Tropen, die cursussen geeft over de culturele aspecten van management aan uit te zenden werknemers en hun partners. “Omdat steeds meer vrouwen aan een eigen carriere werken, neemt de mobiliteit van gezinnen af. Bedrijven steken veel geld in de opleiding van een werknemer, maar als hij naar het buitenland moet, gebeurt het nogal eens dat hij afhaakt om die partner. Terecht dat bedrijven huiverig zijn om daarover gegevens te verstrekken, dat schept onrust bij andere werknemers.”

Veel bedrijven zien de partnerkwestie als een prive-probleem, aldus Groenen, die een boekje schreef over het onderwerp. Maar, zegt zij, het wordt steeds meer een bedrijfsprobleem: mensen overzien aan het begin van hun loopbaan dit probleem vaak niet. Als het zo ver is, blijkt pas dat de partner niet mee wil en de werknemer afziet van uitzending. Uit Zweeds en Amerikaans onderzoek blijkt dat een op de vier gezinnen voortijdig terugkeert wegens aanpassingsproblemen van een van de gezinsleden.

Om de kans van slagen te vergroten proberen sommige bedrijven werk te zoeken voor de partner of laten ze kinderen en partners een cursus volgen, bijvoorbeeld aan het Tropeninstituut: hoe ziet voor een kind dat nieuwe land eruit en hoe kun je als partner zinvol bezig zijn?

Groenen: “Een probleem is dat een academisch gevormde partner hoge eisen stelt aan een 'zinvolle' bezigheid. Maar wat ik de cursisten wel voorhoud is: bekijk uitzending niet alleen van de problematische kant.

Een paar jaar buitenland is ook uitdagend en leerzaam.''