Pang durft weer vrijuit te praten

HAARLEM, 13 april - Gerard Verhalle, manager van de mannenvolleyballers, vindt Wuqiang Pang het voorbeeld van een ideale assistent-coach. “Je moet hem geen hoofdcoach maken. Dat kan je zo'n man niet aandoen.” Toch was Pang vier jaar lang de verantwoordelijke man bij de Nederlandse vrouwen voordat ze hem begin vorig jaar met de kwalificatie 'ongeschikt' nogal hardhandig aan de kant zetten. Ogenschijnlijk weerloos liet de Chinees zich toen afvoeren.

Later zei Pang zelf al de beslissing te hebben genomen op te stappen.

“Op het moment dat de ploeg na de wedstrijd tegen Finland het beslissende gesprek over de toekomst had, heb ik heerlijk op mijn kamer liggen slapen. Voor mij was alles al duidelijk.” Peter Murphy, Pangs voorganger en opvolger als bondscoach, zei echter dat hij de speelsters “naar de maan had geschoten” als ze hem op dezelfde wijze hadden behandeld. Volgens Murphy had Pang soms de dictator moeten spelen, met de vuist op tafel slaan. Maar zo'n type is de aardige Chinees niet.

Pang geeft zelf toe beter op zijn plaats te zijn als assistent, in dit geval van mannenbondscoach Harrie Brokking. “Ik ben een vreemdeling.

Ik moet nog veel leren.” Hij weet dat met name het taalprobleem hem bij de vrouwen parten heeft gespeeld. “Harrie kent zelfs de vriendinnen van de spelers. Dat is voor mij moeilijk.” Brokking is blij met hem. Pang zaagt niet aan de stoelpoten van Brokking en zijn kennis van zaken is bijzonder groot. Hij is bovendien altijd met volleybal bezig, in de zaal, maar ook in zijn vrije tijd in zijn flat twee hoog in Capelle aan den IJssel, waar hij met zijn twee dochters van 22 en 19 jaar woont. Zijn vrouw studeert in de Verenigde Staten.

Brokking heeft het idee dat Pang zich thuisvoelt bij de nationale mannenploeg. De 46-jarige Chinees is in vergelijking met een jaar geleden duidelijk losser geworden in de omgang. Brokking: “Laatst in Cuba liep hij, geloof ik, voor het eerst in tien jaar in een korte broek. Hij ging zelfs in zee en dat had hij 25 jaar niet gedaan.” Aan tafel heeft Pang inmiddels ook geen problemen meer. Hij is gewend aan het westerse voedsel. “Hij vreet. Hij schept altijd heel behoorlijk op”, constateert manager Verhalle. Pang zegt zelfs haring te eten.

“Ongelooflijk he, voor een Chinees. Ik kan makkelijker aan het eten wennen dan aan de taal.”

Pang is druk doende zich het Nederlands eigen te maken. Tijdens het verblijf in Cuba van verleden maand zat hij met zijn neus in de boeken op het moment dat de spelers sliepen. In '89 volgde Pang in Vught een spoedcursus van twee weken, maar veel haalde dat niet uit. “Het is moeilijk om te leren, verschrikkelijk”, zegt hij. “Zelfs door de overheid geselecteerde Chinese studenten spreken pas na drie jaar Nederlands. Het helpt wel als je al Engels spreekt.” Met die taal kan Pang zich redelijk redden. Dat leerde hij zichzelf aan. De coach, opgegroeid in Shanghai, kreeg in zijn jeugd door de banden die China destijds nog met de Sovjet-Unie onderhield Russisch als vreemde taal op school.

Nu brabbelt Pang een mengelmoes van Engels en Nederlands, soms in een zin. “Als ik iets in Nederlands weet, zeg ik het.” Hij wordt daarbij geholpen door de spelers van Oranje. “Ze zijn aardig voor me. Ze verbeteren me steeds.” Bij de vrouwenploeg durfde hij niet vrijuit te praten. Bang om te worden uitgelachen.

Het typeert Pang om geen kwaad woord te spreken over de volleybalsters die hem destijds wel hard aanpakten. Hij zegt alleen niet te begrijpen waarom ze hun kritiek via de pers uitten en niet eerst naar hem toekwamen. Maar boos, nee, dat is Pang niet op de lieve dames. “Ik weet nog niet waarmee ze nu precies problemen hadden. Ik wil het ook niet meer weten. Dan was het dit en dan was het weer wat anders.” Al voor het interview had hij zich bezorgd afgevraagd of er over de vrouwenploeg zou worden gesproken. “Want ik zit nu bij de mannen.”

Hij vertelt dat hij van de vrouwen later nog een zelfgemaakte kalender heeft gekregen, dat hij rondom de jaarwisseling wenskaarten van sommigen in de brievenbus kreeg en dat ze hem onlangs bij een toernooi in Bremen zelfs uitnodigden. “Ik zat daar op de tribune. Pang, kom met ons eten, riepen ze naar me. Maar ik kon niet. Ik moest terug naar Nederland.” Pang geeft toe zich als coach bij mannen beter te voelen dan bij vrouwen. “Tegen een mannelijke sporter kan je alles zeggen.”

Vrouwen loeren, weet hij, altijd op een kans op een tegenaanval. “Die vergeten niet dat je ze een keer hebt uitgescholden, al is het jaren geleden.”

Pang zoekt dan naar woorden om de nationale mannenploeg te complimenteren voor de arbeid die dagelijks wordt verricht. “Ik weet niet of ze het voor de vlag, hun land of zichzelf doen, maar ze doen het gewoon, uren per dag. Niemand komt te laat. De discipline is groot. Blessures? Ze gaan gewoon door. Anderen zouden naar de kleedkamer vertrekken.” Hij noemt Nederland een groot land wat volleybal betreft. Pang zegt zijn ogen te hebben uitgekeken toen hij hier voor het eerst arriveerde. Dat was eind 1982 in het kader van een uitwisselingsprogramma tussen Rotterdam en Shanghai. Hij werkte drie maanden in het volleybaldistrict 17. “Mij vielen meteen de vele lange mensen in Nederland op en ondanks dat bewegen die zich goed. In China is iemand die echt lang is langzaam, sloom.”

Nederland speelde onlangs in Cuba tegen China. Pang, zelf korstondig international, zat zoals altijd op de bank naast Harrie Brokking. Hij zegt “een beetje vreemd gevoel” te hebben gehad. “Ik hoopte dat Nederland zou winnen, natuurlijk. Bij die ploeg ligt mijn werk. Maar het was mijn wens dat China ook goed zou spelen.” Dat lukte niet echt. China heeft bij de mannen een middelmatig volleybalteam. “De ploeg mist kracht, vooral links-voor.”

Volgens Pang kan de levensstandaard van een land niet los worden gezien van de prestaties in een 'krachtsport' als volleybal. “Hier”, duidt de Chinees op Nederland, “vloeit melk als water. In China kan je alleen als je een kind hebt een halve liter per dag krijgen. Dat is een groot verschil.” Pang constateert dat in Nederland bijna iedereen aan sport kan doen en ook doet. Zo vertelde hij de bondscoach van China, een ex-pupil van hem, met gepaste trots dat manager Gerard Verhalle twintig jaar geleden 10,7 seconden op de 100 meter liep.

Pang: “Hij was zeker professional, vroeg de coach aan me. Nee, antwoordde ik, het was zijn hobby. En nu is Gerard over de vijftig en loopt hij dagelijks nog steeds vijf kilometer.”

Pang lacht zijn tanden bloot. Hij heeft zichtbaar plezier. Het bevalt hem in Nederland. Pang wekt ook niet de indruk snel terug te willen naar China. Gerard Verhalle maakt zich echter zorgen over diens toekomst als na de Olympische Spelen van Barcelona de internationals mogelijk weer bij (buitenlandse) clubs gaan spelen. Er zal dan geen fulltime-baan meer voor een assistent zijn. “Wat moeten we dan met Pang?”, vraagt Verhalle. “We moeten dan echt uitkijken dat hij geen zielige werkloze wordt.”