Nieskruid en wolfsmelk

Helleborus (nieskruid) werd door de oude Grieken gebruikt als een middel tegen krankzinnigheid; de vroegst bekende medische toepassing was de succesvolle behandeling van de geestelijk gestoorde dochters van Proetus, Koning van Argos.

De vermogens van de plant boezemden zoveel ontzag in dat alvorens de plant uit te graven er eerst met een zwaard een cirkel omheen werd getrokken; daarna werden onder het eten van veel knoflook gebeden opgezonden aan Apollo en Aesculapius.

Ook de Romeinen kenden de plant, die in de Middeleeuwen nog heksen en boze geesten buiten de deur hield. In de zestiende eeuw werd zij niet alleen heilzaam geacht voor 'dollemannen en bezetenen' maar ook voor 'al diegenen die gekweld werden door zwarte gal en melancholia'. Dit was uiteraard wanneer het nieskruid bereid werd als geneesmiddel, maar zover hoeft het niets eens te komen: niet meer dan de aanblik van deze plant, bloeiend in de snijdende kou van het vroege voorjaar, is voldoende om niet geringe melancholie te verlichten.

Het is een plant waarvan men moeilijk niet gehoord kan hebben, maar ik geloof niet dat ik er ooit bewust een gezien had tot het ogenblik, vorig jaar, dat een vriendin mij wat zaailingen gaf van de Helleborus corsicus uit haar eigen tuin. H. niger, de Kerstroos, is vermoedelijk de bekendste varieteit; ik heb ook een paar exemplaren van de soort die in het Nederlands wel stinkend nieskruid wordt genoemd (H.

foetidus), maar die hebben tot dusver helaas nog niet gebloeid. De Corsicaanse helleborus moet wel de mooiste zijn van allemaal, tenminste te oordelen naar de onze. Een van de zaailingen kwam al dit voorjaar in bloei en het is zonder meer de prachtigste verschijning in de hele tuin.

Totdat de bloemen verschenen waren er alvast de bladeren om enthousiast over te worden, want die zijn op zichzelf al bijzonder: altijd-groen, drievoudig en aanvoelend - maar niet er zo uit ziend - of ze van plastic waren; ze hebben getande randen die in sommige planten aangestipt zijn met donkerrood. De bloemen zelf, die al bijna hun volle schoonheid hebben als ze nog in de knop zijn, zijn heel simpele, licht neigende kelkjes (hun enige nadeel: je moet ze omkeren om ze goed te zien, zoals je doet met oud Chinees porselein), met vijf bloembladen.

Het ongelofelijkste is de kleur: van het bleekste, tederste groen. Als een tint groen vereenzelvigd zou worden met zuiverheid zou het deze moeten zijn. Rondom iedere stengel zijn meer bloemen gegroepeerd en dus zie je een wonderschone tros van bleekgroen boven het donkerder groen van de elegant getande en zacht glanzende bladeren. Al zouden zij midden in de zomer bloeien, dan zou 't nog het glanspunt van de tuin zijn; maar zo vroeg in het voorjaar is het iets ongelofelijks.

Vorig jaar verwierf ik een andere plant die in verschillende opzichten aan de helleborus doet denken (altijd-groen, schaduwminnend, vroegbloeiend, giftig sap), een soort wolfsmelk, Euphorbia robbiae.

Deze plant had ik werkelijk nooit gezien, maar in elk tuinboek wordt zij aanbevolen als de oplossing voor droge schaduw of 'arme, wortelrijke grond', zoals sommige auteurs het wat cru uitdrukken. Nu, daar hebben we geen gebrek aan - arm of niet - dus deze euphorbia was duidelijk wat we nodig hadden.

Zoals te verwachten wanneer je de perfecte oplossing vindt, bleek de plant bijna onvindbaar. De kwekerijen zeiden niet, zoals ze in zulke gevallen meestal doen, dat ze ze de volgende week zouden 'aankrijgen', ze hadden ze gewoon niet. Toen ik er tenslotte een vond was hun bloeitijd voorbij. Moeilijk voorstelbaar, bij het bekijken van het mokkende altijd-groen, dat deze ongeveer 25 cm hoge plantjes bij het bloeien ineens twee keer zo lang zouden worden, zoals de boeken beloofden.

Zo stonden ze dus bijna een jaar lang in de tuin, groeiend in de breedte maar niet in de hoogte. Ze stuurden er wel een paar verkenners op uit om de omringende territoria in ogenschouw te nemen, daarbij bevestigend de indringers te zijn waarvoor de boeken ook al hadden gewaarschuwd. Maar op arme, wortelrijke grond is er niet zoiets als een indringer; je bent eenvoudig dankbaar voor alles wat er wil groeien, of tenminste niet doodgaat. Robin Lane Fox, wiens grond vermoedelijk minder arm en wortelrijk is dan de mijne, zegt dat je kunt beginnen met maar een plant, en dat zal wel waar zijn voor een ervaren tuinier die de zaken op de lange termijn ziet; maar met de snelheid waarmee bij mij planten indringen zullen ze tot bloei komen in de schaduw van het beukenbos dat gegroeid zal zijn uit de zaailingen van dit jaar.

De bloei van de Euphorbia robbiae! Dit grote moment wordt in vele tuinboeken in analoge bewoordingen beschreven; als zij bloeit, zeggen ze, ''levert deze plant een positieve bijdrage aan het halve meter-niveau''. Dat roept bij mij visioenen op van een soort hondje, klein en geestdriftig, ik zie hem om me heen springen op het halve meter-niveau, bezig zijn bijdrage te leveren. Maar mijn planten zagen er niet erg geestdriftig uit, ze leken eerder tevreden zoals ze waren, tot ze plotseling, een maand of iets meer geleden, begonnen te groeien; pijnlijk langzaam (gelukkig waren er nog andere dingen in de tuin om naar te kijken) in het begin, maar waarachtig, nu zijn ze inderdaad meer dan twee keer zo hoog en hebben grote aantallen van de meest uitzonderlijke limoengroene bloemen ontwikkeld. Iedere bloem heeft de vorm van een schoteltje op zijn kant, met nog twee kleinere schoteltjes, kleiner en met iets meer geel, wiegelend op steeltjes die uit het midden van het eerste schoteltje komen. De grotere schoteltjes waren de schutbladen; het vreemde is dat de kleinere schoteltjes exacte kopieen van het grotere lijken te zijn, alsof na zoiets merkwaardigs te hebben voortgebracht de verleiding onweerstaanbaar was om het nog een paar keer te doen.

De wolfsmelk heeft niet de medische eigenschappen van het nieskruid, hoewel het sap wel gebruikt is als purgeermiddel. Maar Dante Gabriel Rossetti, die toen meer in de geestelijke staat verkeerd moet hebben waarvoor helleborus placht te worden voorgeschreven, heeft eens ook uit de wolfsmelk een vorm van troost kunnen putten; bij al het gemompel dat door mijn hoofd spookt bij het tuinieren heeft zich nu ook de aan Ogden Nash herinnerende laatste regel gevoegd van het intrigerende gedicht dat Rossetti over de wolfsmelk (woodspurge) schreef: My eyes, wide open, had the run Of some ten weeds to fix upon; Amongst these few, out of the sun The woodspurge flowered, three cups in one.

From perfect grief there need not be Wisdom, or even memory: One fact then learnt remains to me - The woodspurge hath a cup of three.