Nederland vrij... ...en inactief

BEHALVE ZIEK IS Nederland volgens premier Lubbers nu ook nog “tobberig”, getuige zijn toespraak van afgelopen donderdag op het VNO-congres.

Het klagen over bezuinigen moet volgens hem nu maar eens afgelopen zijn. Zijn boodschap is eenvoudig: er is niet meer, iedereen zal pas op de plaats moeten maken. En verder kondigde Lubbers opnieuw de aanval aan op de arbeidsongeschiktheid en het ziekteverzuim. Want Nederland moet straks sterk staan in het verenigde Europa.

Het volk van de premier genoot ondertussen van een van de eerste zomerse dagen. De terrassen zaten vol. ATV, WAO, WWV, VUT, AOW zorgden voor de klandizie. Er mag dan veel mis zijn, met de vrije tijd in Nederland gaat het in elk geval goed. In het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over de arbeidsparticipatie in Nederland wordt het nog eens allemaal keurig op een rijtje gezet. Telde een arbeidsjaar in 1960 nog 2.307 uren, in 1989 bedroeg het gemiddelde arbeidsjaar nog slechts 1.740 uren. Zo nu en dan verliep het proces schoksgewijs, bij voorbeeld bij de invoering van de 40-urige werkweek. Maar in overwegende mate is er toch sprake geweest van een sluipende verkorting van de jaarlijkse arbeidstijd.

Het viel nauwelijks op; de economie, gezegend met verblindende groeicijfers, kon het hebben.

Veel vrije tijd en weinig flexibiliteit, dat is thans de situatie. Het 'verworven recht' heeft in Nederland een welhaast sacrale betekenis gekregen. Rechten willen nog wel eens bespreekbaar zijn, verworven rechten daarentegen zijn bijna altijd onbespreekbaar. Nu arbeidsvoorwaarden als ATV en VUT in de categorie 'verworven recht'

zijn ondergebracht, valt te vrezen dat de zo noodzakelijke discussie over aanpassing van deze regelingen - als er al een begin wordt gemaakt met die discussie - op niets zal uitlopen.

VOOR WAT hoort wat. Er kan niet iets worden afgenomen, zonder er eerst iets bij te geven. Dat blijkt nu er wordt gesproken over terugdringing van het ziekteverzuim. Invoering van een of twee wachtdagen waardoor de eerste ziektedagen voor rekening van de werknemer komen, is vaak geopperd, maar even zo vaak op een muur van onbegrip gestuit.

Creatieve geesten kwamen vervolgens met het idee om de tegenwoordig bijna bij iedere werknemer ruim aanwezige ATV-dagen ten dele om te zetten in wachtdagen. Hier komt echter het verworven recht om de hoek kijken. Onbespreekbaar, kortom.

Topambtenaar Pont van het ministerie van binnenlandse zaken bleek nog inventiever. Afkomstig uit de vakbeweging, dus op de hoogte van de gevoeligheden, lanceerde hij vorige week het idee om alvorens de twee eerste ziektedagen van de ATV-dagen af te boeken, iedere ambtenaar eerst nog eens vier extra vrije dagen te geven. Bovendien zouden per jaar hooguit maar vier wachtdagen in rekening worden gebracht. Met andere woorden: wie zich niet ziek meldt heeft er vier vrije dagen bij, en wie zich wel een paar keer ziek meldt, moet hooguit een paar vrije dagen extra ontberen. Inmiddels heeft minister Kok van financien zich deze week achter het plan geschaard, waardoor het een serieuze vorm lijkt aan te nemen.

HET ZIEKTEVERZUIM bij de overheid moet met een half procent per jaar terug, zo heeft het kabinet zich ten doel gesteld. Op deze manier zal die doelstelling zeker kans van slagen hebben. Maar is het ook de goede manier? Het ziekteverzuim wordt wellicht wat teruggedrongen, maar de prijs die ervoor moet worden betaald is hoog. Temeer daar een regeling voor het overheidspersoneel waarbij eerst vier extra vrije dagen aan iedereen worden verstrekt, ongetwijfeld haar uitstraling zal hebben naar het bedrijfsleven. Aangezien werkgevers eerder voelen voor minder dan voor meer vrije dagen, is vrij voorspelbaar waar de discussie met de vakbonden op uit zal draaien: op de status quo. Geen extra vrije dagen, maar dan ook geen wachtdagen. En dan is er op het punt van de bestrijding van het ziekteverzuim per saldo niets bereikt.

EVEN VERLAMMEND is het debat over de VUT. Eind jaren zeventig ingevoerd als conjuncturele maatregel om overtollig geworden werknemers op een 'sociale' manier naar de uitgang te begeleiden, is de VUT inmiddels uitgegroeid tot een pre-pensioenregeling. Met de situatie op de arbeidsmarkt heeft de VUT weinig meer te maken. Een op de drie mensen tussen de 60 en 64 jaar maakt gebruik van de VUT. Een ander deel zit in de WAO of valt onder een speciale werkloosheidsregeling voor ouderen. Het heeft er al met al toe geleid dat van de mannelijke beroepsbevolking tussen 60 en 64 jaar nog maar 30 procent werkt (tegen 74 procent in 1971) en van de vrouwen nog maar 11 procent (tegen 13 procent in 1971).

In het al eerder aangehaalde WRR-rapport wordt gesteld dat de arbeidsparticipatie in Nederland in de jaren negentig om tal van redenen omhoog zal moeten. Gebeurt er niets, dan zullen er als gevolg van demografische ontwikkelingen over dertig jaar tegenover honderd (niet zieke) werknemers geen 65 ontvangers van een sociale uitkering staan, zoals nu, maar 93. De VUT kan daarbij niet onbesproken blijven.

Maar ten aanzien van deze regeling lijkt tussen de georganiseerde werkgevers en werknemers eenzelfde stilzwijgende afspraak te bestaan als ten aanzien van de WAO. Voor ondernemers is de VUT een prettig instrument om op sociale wijze af te komen van relatief dure en wegens hun leeftijd niet meer zo produktieve werknemers. Voor de vakbeweging geldt dat bij reorganisaties elke Vutter een gedwongen ontslag minder betekent. Bovendien, vervroegd pensioen met behoud van bijna het volledige salaris, wie wil dat niet voor zijn leden bereiken? Vandaar dat ook de VUT is voorzien van het predikaat verworven recht.

NU DE VUT is ingeburgerd, wordt zelfs al weer gesproken over een volgende stap: de flexibele pensionering. Het kabinet heeft zich in de Tussenbalans positief uitgelaten over de mogelijkheid om werknemers tussen 63 en 67 jaar met pensioen te laten gaan. Op het eerste gezicht een aardige maatregel, maar de ervaringen met de VUT - die in de meeste gevallen een vrijwillig karakter heeft - zouden toch te denken moeten geven. Slechts weinigen lieten de VUT-regeling voor wat hij was en kozen voor doorwerken tot het 65ste jaar. Als dat het beeld blijft, leidt flexibele pensionering tot zeer veel 63-jarige gepensioneerden en tot slechts weinigen die op hun 67ste stoppen. De verhouding tussen actieven en inactieven zal nog schever worden.

Goed voor de horeca, maar slecht voor het land.