MEDIENE

Ode aan een slecht mens. Oom Jopie uit de Mediene door Igor Cornelissen 79 blz., Van Gennep 1991, f 24,50 ISBN 90 6012 546 0

Jopie de Vries werd in 1893 in Meppel geboren en trouwde in 1917 met Marianne Os. Marianne was de tante van Igor Cornelissen en die heeft in dit boek over zijn oom een ode wil brengen aan 'een slecht mens'.

Die typering gaat wellicht wat ver voor een man van wie niet bewezen is dat hij zaken heeft gedaan met de Duitsers tijdens de oorlog, en indien hij dat heeft gedaan niet de enige was. Verder komt Jopie uit het boek vooral naar voren als een enigszins eigenzinnig mens. Waarom Cornelissen over hem spreekt als 'slecht', is mij niet echt duidelijk geworden.

Wel staan in dit boek een aantal prachtige typeringen en observaties over het leven van joden onder de niet-joden in de 'Mediene', de provincie buiten Amsterdam. Bovenal krijg ik de indruk dat Cornelissen door middel van deze levensbeschrijving van zijn oom een verdieping heeft willen geven aan zijn in 1983 verschenen memoires Van Zwolle tot Brest-Litowsk, een boek dat ik indertijd in een adem heb uitgelezen.

Zo geboeid was ik door het leven van Oom Jopie niet, daarvoor is het te fragmentarisch. Toch blinkt de observator en historicus Cornelissen in die fragmenten soms uit. Zo bijvoorbeeld bij de beschrijving van de 'lewaje', de begrafenis, van zijn oom op 5 janauri 1986 op de joodse begraafplaats aan de Watersteeg te Zwolle: ''Jaap Blog, die de plechtigheid leidde en de Hebreeuwse gebeden las, vroeg mij zachtjes of er minje (het quorum van tien joodse mannen) was, zodat het gemeenschapsgebed voor de doden gezegd kon worden. Ik keek vluchtig om mij heen. Waren er nu negen of tien joodse mannen? Moest ik oom Jopie's neef de arts, zoon van 'de kapitein' (uit het Leger des Heils!), meetellen? Ik kende hem toen nog nauwelijks, wist wel dat zijn vader zich had laten sjmadden, maar dat was niet doorslaggevend.

Eens jood, altijd jood. Tenminste volgens de joodse opvatting (...)'' Uiteraard telde de schrijver tien mannen, want ook al beschouwde hij zijn oom als een slecht mens, hij zorgde ervoor dat deze naar (joods) behoren begraven werd en stelde als goede Medienejood zelf de regel vast. Hetgeen mij deed denken aan een begrafenis in Vught, tijdens welke een uit Amsterdam afkomstig heer samen met mijn vader en met mij staande in het voor Kohaniem (afstammelingen van Aron) bestemde afgescheiden gedeelte van de aula, (Kohaniem mogen tenzij van naaste familie niet met een lijk onder een dak staan) ons meedeelde dat het in Vught gebouwde afgescheiden gedeelte eigenlijk niet volgens de regels gebouwd was, waarop mijn vader hem toevoegde: ''Mijnheer, hier bepaal ik de regels!''

Het boek van Cornelissen is niet alleen een aanvulling op zijn memoires, maar geeft vooral een kijk op het leven van joden in de Nederlandse provincies, hoe zij daar tamelijk geisoleerd joods bleven of het opgaven. Tekenend is de foto van de grootouders van oom Jopie uit Dwingeloo, gekleed in de lokale dracht. Grootvader De Vries bezat een stuk land en 28 koeien, een illustratie van het feit, dat joden meer deden dan handelen. Ze waren niet alleen in het 'Hak' (Slagerij), 'Pak' (Kramerij) en 'Zak' (Lompen en afval) beroep, maar ook een beetje in de veeteelt.

Anderzijds is ook tekenend dat oom Jopie, zo beschrijft Cornelissen, zelf en niet zijn vrouw op vrijdag naar de markt ging om er vlees en vis te kopen voor de sjabbesmaaltijd. Dat was volgens hem echt een oeroude gewoonte, ''want joodse mannen in de provincie laten hun vrouwen het eten bereiden dat ze eerst zelf hebben gekeurd en gekocht.

Hoe vaak heeft mijn moeder me niet verteld hoe opa op vrijdag zelf de kip uitzocht voor de sjabbessoep? (...)'' Of het nu een joodse gewoonte of een provinciale gewoonte is, weet ik niet, maar de vermelding is interessant.

De ode aan een slecht mens is niet alleen een aanvulling op Hartog Beems in 1949 verschenen De Verdwenen Mediene en het werk van Dr. Jaap Meijer, het is ook een boek dat nog eens ingaat op die Mediene en het resterend joodse leven in Nederland van na de Holocaust. Cornelissen kent dat leven ogenschijnlijk als een buitenstaander, maar in feite als een van de laatste Zwolse joden en vooral als scherp observator.