Kasseien zijn kasseien, ze doen allemaal pijn; 'Een heel peloton kan in de Hel als een muur dominostenen omvallen'

In 1978 reed Jan Raas waarschijnlijk zijn beste Parijs-Roubaix. Maar door een viertal lekke banden en valpartijen op de kasseien werd hij telkens teruggeworpen en werd hij in de achtervolging gedwongen. Toch werd hij derde achter Moser en De Vlaeminck. In 1980 en 1981 moest Raas na een val de strijd staken. In 1982 won hij Parijs-Roubaix. Dit keer had hij geluk. Geen lekke band, geen val maar wel de steun van Bernard Hinault. Raas (nu ploegleider) over stof, modder, dikke banden, versnellingen en het Bos van Wallers, de enige echte Hel van het Noorden.

“Parijs-Roubaix en de Ronde van Vlaanderen waren natuurlijk wedstrijden die mij ontzettend goed lagen. Als je in Parijs-Roubaix tegenslag hebt en er wordt keihard gereden en de ploegleidersauto is te ver weg, kun je het vergeten. In Vlaanderen kun je nog terugkomen.

In Parijs-Roubaix niet. Je kunt een wiel van een ploegmaat krijgen, maar dan is het nog niet gezegd dat je terugkomt. Er liggen renners op de weg, auto's staan stil, auto's zijn tegen elkaar gebotst, motoren liggen ondersteboven. Je rijdt goed maar je kunt niet terug in de wedstrijd komen. In Parijs-Roubaix wordt de wedstrijd vaak een beetje vervalst. Er is vaak een goede winnaar, okay. Maar de beste wint lang niet altijd.

“Aan voorbereiding deed ik weinig. Je moet gewoon zorgen dat je tevoren veel kilometers hebt gemaakt. Maar met al die klassiekers ervoor had ik altijd al meer dan genoeg gereden. Je kunt wel eens een dag tweehonderd kilometer gaan trainen. Maar dat heb ik nooit gedaan.

Renners als De Vlaeminck wel, die gingen hele dagen op stap. Tot in den treure op die stenen rijden.

“Ik kende die kasseienstroken toch al. Als je de eerste hebt gehad, weet je het verder wel. Kasseien zijn kasseien. Ze doen allemaal pijn.

Ik zie er het nut niet van in ze vooraf te gaan bekijken. Anderen willen per se weten hoe die kasseienstroken erbij liggen. Als ik in de wedstrijd was en ik zat van voren, en je moet van voren zitten, dan zag ik ze al aankomen. Je kijkt voor je in het open land en ziet dat de weg draait. Je ziet in de verte auto's staan en groepjes mensen.

Dan weet je dat er weer een strook begint, dat je weer moet sprinten. Als er twintig stroken zijn moet je twintig sprints maken, want je moet steeds bij de eersten zijn. Dat is erg belangrijk.

“Die kasseien zijn veel slechter dan in de Ronde van Vlaanderen. Daar hebben ze de gaten tussen de stenen dichtgegooid. Vlaanderen is lang niet meer zo zwaar als vroeger. In Parijs-Roubaix is het nog echt slecht. Regen, wind, stof, modder en formidabele kuilen, die je niet ziet als er water in staat. Voor mij is stof ideaal. Dat was er toen ik won. Ik weet nog uit een van mijn eerste keren dat ik Parijs-Roubaix reed. Ik heb de eersten zien wegrijden. Verder niks.

Bijna iedereen is toen gevallen. Knetemann viel en stond op en viel weer, spekglad was het. Ik zag hem in een plas zitten spetteren als een klein kind. Ik liep met m'n fiets op mijn nek door het land en ik zag Kneet op zijn kont, huilend van het lachen? Die zag het echt niet meer zitten. Mensen erom heen, fotografen. Het was echt lachen. Er kon gewoon niet gefietst worden. Fotografen waren met hun motor gevallen en lagen tussen de renners. Als je een paar dagen later die opnames op televisie ziet met wat er onderweg is gebeurd. Dan zie je wat Parijs-Roubaix echt is. Achter de koers, daar zie je pas drama's. Van voren gebeurt er weinig.

“Als je altijd voorin rijdt, dan weet je hoe de koers loopt, of er iemand weg is. Heb je een paar keer lek gereden en je komt terug dan moet je dat aan anderen vragen. Of je ziet het aan de auto van wedstrijdleiding. Als die er nog rijdt, is er niemand weg. Dan weet je zeker dat je in de kopgroep zit. Je weet welke volgorde de ploegleidersauto's rijden. Nu rijden wij van Buckler als eerste wagen, maar dat wil niks zeggen. Misschien wordt die opgehouden door gevallen renners of door motoren die op de grond liggen. Dan is het ontzettend belangrijk dat de hele ploeg goed rijdt. Dat er ploegmaten in de buurt zijn die een wiel kunnen geven als de auto er niet bij kan komen. Als renners gelost worden en ze zitten op vier, vijf minuten, dan moeten ze door blijven rijden. Zij kunnen misschien wel eerder aan de kopman een wiel afstaan dan de ploegleidersauto.

“De weggetjes zijn vaak zo smal. Als ploegleider moet je de auto soms midden op de weg zetten en kan er niemand meer voorbij. Na de wedstrijd hoor je de mooiste verhalen. Maar je kunt niet overdrijven.

Je hebt het gevoel dat je fantastisch hebt gereden, maar je bent drie keer lek gereden, vier keer gevallen. Dat heb je echt een excuus. Het kan zijn dat niemand het gelooft. Maar het is altijd echt gebeurd.

“Als je het Bos van Wallers binnenrijdt. Dat is zo'n raar gevoel. Het ziet zwart van de mensen en daartussen zie je een pad liggen. Je moet dwars door die mensenzee heen. Je rijdt recht op ze af. Niet denken, maar rammen en geconcentreerd blijven. Je raakt mensen. Maar waar kies je voor? Dan maar tegen die mensen aan, want je wilt per se aan de beste kant rijden. Als je plotseling wegdraait neem je andere renners mee en dan ga je vallen. Mensen schreeuwen, proberen je te duwen of aan te raken. Gewoon een per ongeluk vooruitgestoken paraplu van iemand die jou niet ziet aankomen. Nou, dan kan een heel peloton als een muur dominostenen omvallen. Dan is het een hel, zeker weten.

“Ik had een extra handicap door mijn bril. Ik denk dat die bril me zeker een overwinning heeft gekost. Stof op de glazen of als het regende modder, dan is het helemaal een puinhoop. Dan zie je niks. Dan zie je nog minder waar je rijden moet, rijd je nog eerder lek of val je vaker. Ik was altijd bloednerveus. Ik ken niemand die nerveuzer was dan ik. Je hebt het niet in de hand. Soms zette ik m'n bril half op mijn neus. Dan kon ik er over heen kijken, maar dan zag het ook weer niet goed. Zeker die gaten niet. Die keer dat ik gewonnen heb, heb ik niet lek gereden. Ik dacht vooraf: ik moet een ding doen, midden op de kasseien blijven en afstand houden. Voordien probeerde ik altijd in de luwte te rijden. Maar dan kom je toch vaak op de kant terecht waar meer steentjes liggen. Dan maar meer in de wind, een halve meter tot een meter achter mijn voorganger. En midden op de weg. Want daar ga je toch het minste lek rijden, want de weg loopt bol. En de stenen in het midden rijden toch het beste.

“Het is altijd een kwestie van geluk. Ik heb allerlei tubes uitgeprobeerd. Maar altijd reed ik met Parijs-Roubaix banden, dikke banden. Ik begon met een 5,7 of 5,8 bar bij de start. Maar die banden lopen langzaam leeg door het stoten. In de finale is het nog maar 5,4 of 5,5. Dat was meer dan voldoende. Want je moet wel die vering houden. Een gewone band, voor goede wegen, rijd je met bijna 7 bar.

Die Parijs-Roubaix-banden zijn breder dan normale. Maar heb je een paar uur gereden dan lijkt het wel of ze twee keer zo breed zijn geworden. Ze zetten een beetje uit. Dan krijg je het gevoel of je op autobanden rijdt. Ik heb weleens twee fietsen gebruikt. En dan vlak voor de kasseien even ruilen en de juiste druk er weer in. Maar dat hoeft eigenlijk niet. Je doet er bij de start gewoon iets meer atmosfeer in, omdat je weet dat ze aflopen. En zodra je op de stenen bent, en ze iets zachter zijn, zijn ze ook goed. Op de auto stond een reservefiets die op precies dezelfde manier was afgesteld.

“Fietsen zijn de laatste jaren veranderd. De Parijs-Roubaix-fiets waarmee ik reed was anders dan waar ze nu op rijden. Ik had een laag schuimrubber onder het stuurlint, zodat ik de schokken kon opvangen.

En een speciale voorvork. Een normale voorvork is aan de onderkant iets gebogen. Voor Parijs-Roubaix was hij nog meer gebogen om de stoten op te vangen. Dan dachten we. Vier of vijf jaar geleden zei Colnago, onze fietsfabrikant, dat het rechte voorvorken moesten zijn.

Dat had hij bij Ferrari uitgetest. Dat kan toch niet, dachten we. Rechte vorken, daar kun je niet mee sturen, daar kun je toch niet mee rijden zeker. Daar reden ze mee op de baan. Nu rijden ze er allemaal mee, in elke wedstrijd en zelfs in Parijs-Roubaix. Het rijdt prima.

“De fiets die ik gebruikte, was dezelfde waarop ik in andere wedstrijden reed. Nu heb je dat lichte carbon-frame. Dat is verschrikkelijk sterk. Maar een lichte of een zware fiets maakt niets uit in Parijs-Roubaix. Je moet gewoon handig zijn, heel sterk zijn en brutaal en je moet het aankunnen om vooral bij die eerste stroken naar voren te rijden. Dan kun je in ieder geval nog iets overzien, bij valpartijen en zo. Parijs-Roubaix rijden zonder te vallen en zonder lek te rijden, dat is heel knap. Dat heb ik maar een keer meegemaakt.

En ik heb hem toch zo'n zeven keer gereden. Een keer in 1978 was ik derde. Toen ben ik zeker drie keer achter elkaar lek gereden, en toch drie keer teruggekomen in de kopgroep. Op 18 kilometer van het einde was ik weer bij Moser en De Vlaeminck en die waren nog niks tegengekomen, die waren nog fit. Daardoor werd ik geklopt. Dat was mijn beste Parijs-Roubaix. Ik was toen heel goed, super. Maar ik won niet.

“Als je een gat wilt slaan moet je op een groot verzet rijden. Maar in normaal tempo juist niet. Dan spaar je je krachten. Hoe lichter je rijdt, zo klein mogelijk, vooral in Parijs-Roubaix want dat is labeurwerk, des te beter. Je moet ook op het binnenblad, op een klein verzet, rijden omdat de eerste kasseienstrook een beetje bergop gaat.

Nu rijden ze met zeven, acht pignonnen vanachter, wij moesten het vijf of zes doen. Je kunt nu zelfs al met acht rijden, dus met zestien versnellingen. Parijs-Roubaix rijden ze met een groter binnenblad dan normaal. Want als je op de stenen bergop rijdt en je moet van het buitenblad naar het binnenblad dan is het verval van de ketting te groot. Veel jongens rijden nu met 52 voor en 41 achter. Maar van een buitenblad met 52 naar een binnenblad met 41 tanden is te ver. Omdat die fiets verschrikkelijk trilt kan de ketting bij het schakelen ernaast vallen.

“Het is makkelijk als je een grote versnelling kunt rijden. Dan pak je een 44, of 45 of zelfs een 47. Dat maakt veel uit. Als je 52 van voren rijdt en vanachter 15 en het gaat bergop dan hoef je maar een keer te schakelen, dan hoef je hem alleen maar op het binnenblad te gooien. Dan is er bijna geen verval en kan de ketting er bijna niet naast vallen. Door het grote binnenblad kun je hem vanachter op de vijftien laten liggen.

“Je hebt ervaring nodig om Parijs-Roubaix te winnen. Ik heb hem de eerste keer uitgereden, ik kwam op veertig minuten binnen. Ze wilden de hekken al dicht doen. Maar ik wilde hem per se uitrijden, ik wilde die ervaring niet missen. Daar heb ik alleen maar plezier van de komende jaren, dacht ik. En dat bleek ook. Ik wist alle stroken te liggen. Daarom hoefde ik daarna ook Parijs-Roubaix niet meer te verkennen.

“Als je zeven stroken hebt gehad dan voel je na tweehonderd kilometer niet meer of je nog op kasseien rijdt of op de gewone weg. Want je trilt gewoon door. 's Nachts nog. Je bent blij dat je in bed ligt. En al dat stof in je ogen doet pijn. Je moet ze nog dagen daarna spoelen.

Dat was voor mij dan weer een voordeel met een bril. De volgende dag doen alle ledematen pijn, ben je stijf als een hark. Dan moet je het opbrengen te gaan fietsen. Heb ik wel gedaan. Het is moeilijk, maar het is wel beter. Anders voel je de pijn na een paar dagen nog. En dan de pijn van een valpartij. Of het behang eraf, van je armen en benen.

Ik moest stoppen met wielrennen door rugproblemen. Dat is begonnen bij een van die valpartijen in Parijs-Roubaix. En ik heb veel smakken gemaakt. Een keer heb ik de wedstrijd in een ambulance uitgereden.

Toen ben ik liggend over die stenen gehobbeld. Was lekker met die pijn in mijn rug. Ik zei nog: 'Kunnen we niet een beetje afsteken.' Kon niet. Klote Fransen, die wilden natuurlijk de wedstrijd zien.

“In 1982 won ik eindelijk. Op dertig kilometer van Roubaix waren we met dertien man. Kelly, De Vlaeminck, Kuiper, Mutter, Braun, Eddy Planckaert, Hinault, Peeters, mijn ploeggenoot en ik, en nog wat. Ik zei tegen Peeters dat hij moest demarreren bij een huisje waar we rechtsaf moesten. Ik zou achter hem in tweede positie zitten en afstoppen. Hij had vijftig seconden, toen begon Hinault als een gek op kop rijden. Ik aan het wiel. Negen kilometer voor de eindstreep werd Peeters ingelopen. Vervolgens ging Mutter weg, ik erachter en weg waren we. Ik ben toen zo hard mogelijk op kop gaan rijden en heb Mutter losgereden.

“Waarom Hinault met mij aan het wiel naar Peeters reed? Hij wilde niet dat er na Gomez in Milaan-Sanremo en Martens in de Ronde van Vlaanderen weer een kleine renner won, zei hij. Dat heeft-ie ook tegen Peeters gezegd. Voor mij was het natuurlijk heel moeilijk uit te leggen aan Peeters, mijn ploegmaat. Peeters dacht: die Raas die praat een keer met Hinault en Hinault rijdt op kop. En Hinault denkt: laat Raas maar winnen, een ploegmaat van hem op kop, niks mee te maken, Raas moet winnen. Dat denkt natuurlijk iedereen. Het was dus echt niet zo. Ik heb het meteen na de koers aan Peeters uitgelegd en een paar dagen later nog een keer: 'Jongen ga er nog een keer over nadenken, bekijk de beelden nog eens.'

“Peeters is thuisgekomen bij zijn familie en die heeft Hinault op kop zien rijden met mij aan het wiel. Een kwestie van wederzijds vertrouwen, maar ik kon er weinig aan doen. Zouden ze niet achter hem rijden, dan won hij. Rijden ze er wel achter dan zit ik in een zetel.

En zo gebeurde het. Want wat schetst mijn verbazing, Hinault ging rijden. Rare kerel. Hinault dacht verder na. Die Peeters rijdt weg, dacht-ie, en ik zit hier en al die andere klassiekers hebben allemaal onbetekenende winnaars gehad, dan komt er kritiek. En de tv-camera was er bij. Dus hij reed een kwartiert in beeld op kop. Dat wist hij heel goed. Dat heeft hij mij ook verteld. Want dat hoort ook bij Hinault.

Ik heb gewoon geluk gehad. Maar dat is Parijs-Roubaix.''