JULES MICHELET; Ongebreideld geschiedschrijver

Michelet ou la gloire du professeur d'histoire door Eric Fauquet 454 blz., Cerf 1990, f 79,60 ISBN 0 298 9972 Michelet, historian. Rebirth and romanticism in nineteenth-century France door Arthur Mitzman 339 blz., Yale University Press 1990, f 68,15 ISBN 0 300 04551 4

'Zijn gezicht verraadt tegen spraak. Het voorhoofd en de ogen van een idealist, de trillende neusvleugels van een gevoelig kunstenaar. De strakke en fijngesneden mond verraden ironie. De zware kin is die van een man die getiranniseerd wordt door lage instincten.'' Aldus wordt het uiterlijk van Frankrijks grootste geschiedschrijver Jules Michelet (1798-1874) beschreven door diens leerling Gabriel Monod. Steeds vinden we, volgens Monod, bij Michelet een contrast tussen het romantische en het klassieke, het lyrische en het kritische, de kuisheid en de sensualiteit.

Bijna een halve eeuw scheidt hen, de leermeester en de leerling, Michelet en Monod. Beiden zijn sleutelfiguren in de Franse geschiedkundige traditie. Michelet de virtuoze woordkunstenaar, volop herlezen en beroemd gebleven. Monod de vergeten grondlegger van de wetenschappelijke opleiding voor historici, oprichter van het befaamde wetenschappelijke tijdschrift, de Revue historique.

Er is echter een onderwerp waar Monods publikaties blijvende waarde bezitten en dat is nu juist het leven en werk van Michelet. De evenwichtige en uiterst beheerste Monod, die de grote pleitbezorger was van de strenge historisch-kritische methoden, bleef tot aan zijn dood gefascineerd door de ongebreidelde, hoogst subjectieve en originele geschiedschrijver van voor de verwetenschappelijking. Monod heeft helaas de grote intellectuele biografie van Michelet niet kunnen afronden, maar wel heeft hij met zijn La vie et la pensee de Jules Michelet uit 1923 de bouwstenen geleverd waarvan elke latere 'Micheletiste' gebruik maakt.

Onlangs verschenen twee nieuwe boeken over Michelet die op de schouders van Monod geschreven konden worden: een ambitieuze intellectuele biografie en een diepgravende psycho-analytische interpretatie. De eerste is van de hand van de beste kenner van Michelets werk in de jongere generatie, Eric Fauquet, medeuitgever van gereconstrueerde werken van Michelet. De tweede is van de hand van de Amsterdamse hoogleraar, van Amerikaanse afkomst, Arthur Mitzman, een van de leidinggevende psychohistorians van dit moment.

ROODKOKEND PARIJS

Maar allereerst, wie was Michelet? Felix Michelet, de grootvader van de historicus, was muziekmeester in de kathedraal van Laon. Hij werd door de Revolutie werkeloos. Daarop trok in 1792 de oudste van zijn zes kinderen, Furcy, naar het roodkokende Parijs om daar zijn geluk te beproeven. Hij kwam terecht in een drukkerij van 'assignaten'

(papieren geld gedekt door geconfisqueerd kerkgoed). Furcy trouwde met de negen jaar oudere Constance Millet, een nichtje van een bevriende kanunnik te Laon.

Hun eerste kind bleef niet leven maar een tweede kind werd geboren op 21 augustus 1798, in een appartement ingericht in het koor van een niet meer gebruikte kapel op een hoek van de rue Saint Denis, hartje Parijs. Hij kreeg de voornaam Jules. ''Als de Republiek blijft voortbestaan naar Julius Caesar, als de katholieke kerk herleeft naar paus Julius,'' zou zijn vader gezegd hebben.

Jules Michelet groeide op als een stadskind, ''een grassprietje tussen het Parijse plaveisel,'' zoals hij dat zelf uitdrukte. Zijn ouders hadden er alles voor over om hem naar school te laten gaan en latijn te leren. Jules kende de schaamte voor de armoede en was schuw en zelfgeconcentreerd, maar het studeren ging hem goed af. Hij werd leraar en huwde in 1824 met de zes jaar oudere Pauline Rousseau, waarmee hij al jarenlang een relatie had, toen zij zes maanden zwanger was.

Naam maakte Michelet met een vertaling en inleiding van het werk van de Napolitaanse filosoof Giambattista Vico, die in de achttiende eeuw als een der eersten de wetenschap der geschiedenis een centrale positie gaf in het pantheon der wetenschappen. In 1830 werd hij, naast zijn leraarschap, benoemd tot hoofd van de historische sectie van de Archieven. Hier werd de geboren schrijver langzamerhand ook historicus.

Na drie jaar publiceerde Michelet de beroemde eerste delen van zijn Histoire de France waarin een schitterende geografische inleiding. Het betekende een fundamentele vernieuwing van de geschiedschrijving.

Nimmer tevoren was met zoveel visie, kennis van zaken en in een schitterende stijl Frankrijks verleden beschreven. Hij mocht inmiddels ook colleges aan de Sorbonne geven en enige jaren later werd hij benoemd aan het College de France.

In 1839 stierf zijn vrouw en onder invloed hiervan werden de Late Middeleeuwen in zijn werk getekend door obsessies over dood en sterven, troebele dodendansen en een wroeging ten aanzien van het eigen gedrag. Toch ontstond al snel een amoureuze vriendschap met de moeder van een van zijn leerlingen, Madame Dumesnil. Maar in 1842 stierf ook zij en Michelet bleef verbitterd en vereenzaamd achter. Hij had moeten ervaren hoe hij werd geweerd van het sterfbed van zijn geliefde door de kerkelijke dienaren.

Hierdoor veranderde zijn eigen visie op de Middeleeuwen. Michelet verweet zichzelf dat hij veel te positief over de rol van kerk en religie in het ontstaan van Frankrijk was geweest. Nu bezag hij de kerk als een macht van de reactie en de priester als een splijtzwam in de relatie van man, vrouw en gezin.

GEPEUPEL

In 1846 publiceerde Michelet Le Peuple, een niet altijd heldere maar zeer oorspronkelijke analyse van de rol van het volk in de wording en de toekomst van Frankrijk. Tevoren was het gepeupel veelal als gevaarlijk en barbaars, maar zeker niet als creatief element in de menselijke beschaving beschouwd. Michelet identificeerde zich evenwel met zijn eigen plebeische wortels. Niet toevallig onderhield hij in deze tijd 'amours ancillaires', zoals de fraaie Franse uitdrukking luidt voor de intieme relaties met zijn huishoudsters van zeer eenvoudige afkomst.

Michelet onderbrak de chronologie van zijn Histoire de France en begon aan wat een baanbrekende geschiedenis van de Revolutie zou worden. Het eerste deel verscheen in 1847 en een jaar later scheen de revolutie weer uit te breken in Europa. Maar in Frankrijk werden de turbulenties van 1848 in bloed gesmoord. De colleges van Michelet werden nog voor het begin van het Tweede Keizerrijk door de staatsgreep van Louis Bonaparte in 1851 verboden, want zij gaven aanleiding tot felle antibonapartistische manifestaties. In april 1852 werd Michelet officieel afgezet. Hij weigerde de eed van trouw die het nieuwe bewind van de ambtenaren eiste. Zonder vaste bron van inkomsten moest hij nu met de pen in zijn onderhoud voorzien.

Michelet was inmiddels hertrouwd met Athenais Mialaret. Zij was ruim vijfentwintig jaar jonger, gouvernante en gezelschapsdame van de Roemeense prinses Cantacuzene. Haar zwakke lichamelijke gesteldheid maakte Michelet echter tot een ongelukkige minnaar en de dood van hun baby wierp een onuitwisbare schaduw.

De eerste twee delen van de Histoire de la Revolution werden geschreven aan het einde van de monarchie van Louis-Philippe, in de hoop op een nieuwe revolutie waarin Frankrijk gidsland zou zijn. Het was de tijd dat Michelet zijn vader verloor die hem vaak verteld had over de grote Revolutie en over de idealen van vrijheid, gerechtigheid en geluk voor heel het volk, over de strijd tegen de privileges en de kerkelijke onderdrukking. Twee episodes werden door Michelet op onnavolgbare wijze beschreven: de inname van de Bastille die al symbolische betekenis had en het feest van de vereniging van 1790 dat door Michelet herontdekt werd en in de Franse openbare symboliek een centrale plaats kreeg.

De volgende delen werden geschreven onder invloed van de naargeestige reactie van 1849-1851. In zijn isolement verdeelde Michelet zijn tijd tussen het archief en zijn ziekelijke jonge vrouw. De laatste delen werden tenslotte volledig gevuld met het Schrikbewind en de oorlogen in de Vendee werden geschreven te Nantes (1852-1853) in een nog groter isolement waarin alles verloren leek voor het Republikeinse Frankrijk en Michelet zelf.

INTENSITEIT

Michelet heeft voor zijn Histoire de la Revolution niet systematisch archieven doorgeploegd. Wel heeft hij zeer veel archiefmateriaal onder ogen gehad en vertrouwde hij daarbij op zijn intuitie. Zijn interpretaties worden gekenmerkt door een enorme intensiteit en zijn onlosmakelijk verbonden met zijn intiemste persoonlijke gevoelens.

Geschiedenis was bij Michelet inderdaad een herbeleving als in een droom, een hallucinatie. Zijn kracht ligt niet in de koele analyse, de rationele verklaring, de evenwichtige beschrijving en de preciese tekening. Het zijn de felle kleuren, de krachtige accenten, de overtuigingskracht, de associaties en het intense medeleven die zijn werk eeuwigheidswaarde geven.

Michelet is altijd een moralist geweest. Maar met het klimmen der jaren, na de deceptie van 1848 richtte hij zich meer en meer op moralistische en naturalistische onderwerpen. Hij schreef over de vogel, het insekt, de liefde, de vrouw, de zee. Het waren populaire boeken die goed verkochten, veel beter dan zijn historische werken. Ze maken duidelijk dat hij de ontdekkingen van zijn tijd met grote aandacht volgde en dat zijn ideeen veel minder buitenissig waren dan wel wordt beweerd.

De latere werken van Michelet, de afsluitende delen van zijn Histoire de France en zijn Histoire du XIXe siecle, worden gekenmerkt door briljante passages, maar hij oefende nauwelijks meer controle uit over zijn interpretaties. Het resultaat werd op den duur wel zeer eclectisch, bizar en hypersubjectief.

Er bestaat veel informatie over het priveleven van Michelet. Vanaf zijn vroegste jeugd heeft hij een dagboek bijgehouden. Hij deed dat, zoals hij het uitdrukte, ''voor zichzelf, om niets verloren te laten gaan en dag voor dag, mijn gevoelens, mijn gedachten, mijn daden terug te zullen vinden''. Er zijn reisverslagen maar ook notities over zijn lectuur, afspraken, observaties in haastige formulering, en vele bekentenissen.

Aanvankelijk schreef Michelet in schriftjes maar naderhand op losse papieren, ook wel op kladjes en oude enveloppes - alles wat bij de hand was. Hij dateerde meestal, maar niet altijd. Het beste geordend zijn de reisjournalen. In 1864 herordende hij zijn dagboek en maakte een grootscheepse selectie. Hij verbrandde veel sporen van zijn eerste huwelijk en van zijn vriendschap met Madame Dumesnil. De periode van voor 1843 is daardoor vol lacunes.

Michelet gaf per testament zijn vrouw de volledige beschikking over zijn nalatenschap. ''Mijn persoonlijk leven en mijn werk zijn niet te scheiden. Al mijn papieren, brieven en dagboeken komen alleen mijn vrouw toe. Zij alleen kan ze lezen, selecteren en besluiten wat gepubliceerd zou kunnen worden.'' Velen hebben deze laatste wil van Michelet betreurd. Maar Athenais handelde conform de wens van Michelet. Bij de postume publikaties haalde haar editietechniek de vaart uit het proza en ook kuiste zij de teksten, hetgeen in de Victoriaanse tijden ook door professionele uitgevers van klassieke teksten gedaan werd. Zij werd smalend een 'veuve abusive' genoemd: een weduwe die de roem van haar man uitbuitte en misbruikte.

JOURNAL INTIME

Madame Michelet stierf op paasdag 1899, zonder kinderen na te laten.

Alle papieren vielen ten slotte toe aan Gabriel Monod, de trouwe leerling en huisvriend die hetzelfde gebouw in de rue d'Assas te Parijs bewoonde. Monod mocht over alle documenten vrijelijk beschikken, behalve over de dossiers die de titel droegen Journal intime en een selectie waren van de meest persoonlijke aantekeningen.

Deze dossiers mochten wel geconsulteerd en geciteerd, maar niet integraal gepubliceerd worden.

Monod stief in 1911 en liet het Michelet-archief na aan de Bibliotheque historique van de stad Parijs waar ook andere papieren van Michelet al gedeponeerd waren. Het Journal intime werd in verzegelde bewaring gegeven van de Bibliotheque van het Institut de France. In 1950 mochten de zegels verbroken worden. Besloten werd tot een integrale uitgave, hetgeen voor de periode voor 1860 neerkwam op een reconstructie met behulp van documenten die zich elders bevonden.

De twee hier besproken nieuwe studies leggen het accent op Michelet als historicus, nadat de afgelopen twintig jaar de aandacht sterk gericht is geweest op de moralistische en vooral naturalistische thema's. Er is echter een groot verschil in optiek. Eric Fauquet behandelt Michelet in het kader van het ontstaan van het geschiedenisonderwijs, de nieuwe pedagogische en wetenschappelijke instellingen, het enorm gestegen prestige van de historicus die de ontwikkelingsgang van de mens en de samenleving begrijpelijk kan maken. Hij besteedt daarbij ook veel aandacht aan het dagelijks leven, de materiele zorgen en de praktische omstandigheden.

Mitzman behandelt Michelet als ideeenhistoricus in het kader van de Franse negentiende-eeuwse ideeen van wedergeboorte en romantiek.

Fauquet commentarieert met ironische toespelingen die verfrissend zijn maar niet altijd even fijngevoelig. Zijn oordeel is niet afgewogen, veel weetjes zijn in lange noten verstopt in telegramstijl. Mitzman is subtieler maar ook eenzijdiger, sterk gefixeerd op seksualiteit die overigens Michelet zelf ook preoccupeerde.

Treffend verschil is er in de beoordeling van de studenten van 1848. Fauquet die 1968 jong meemaakte laat geen twijfel bestaan over het onbegrip en de meligheid van het publiek in de collegebanken; Mitzman, een generatie ouder, is pieteitsvol en overtuigd van het idealisme en de oprechtheid.

Fauquet wil een algemene biografie geven. Mitzman schrijft vanuit een duidelijke these en concentreert zich op de periode 1840-1854. Mitzman wil met zoveel mogelijk precisie de intiemste gevoelens van Michelet verbinden met zijn werken. Dit is al vaak eerder gedaan en ook Michelet zelf heeft voortdurend expliciet verband gelegd tussen wat hij voelde en wat hij schreef. Hij noemde de geschiedenis een ''violente chimie morale, waarin mijn persoonlijke gevoelens tot algemeenheden worden''.

BEPERKING

Mitzman gaat echter consequenter te werk dan ooit te voren en is gewapend met een modern psychoanalytisch begrippenapparaat. Hierin schuilt de overtuigingskracht maar ook de beperking. Hij maakt bepaalde passages in beelden en woordkeus inderdaad beter begrijpelijk, maar tegelijk construeert hij een strakke chronologische opeenvolging terwijl in werkelijkheid tal van gevoelens en ideeen gemengd waren of beter gelijktijdig aanwezig. En wat moeten wij met het volgende oordeel over Michelet: ''De oedipale vijandschap die vroeger geobjectiveerd was in zijn identificatie van vrijheid versus fataliteit, was niet uit zijn psychische constitutie verdwenen maar ontving daarentegen een zeer specifiek object door de terugkeer naar de preoedipale geestestoestand veroorzaakt door Madame Dumesnil.'' Dat is een beroerde zin waarvan er gelukkig niet al te veel zijn.

Het zijn beide goede boeken, laat daar geen misverstand over zijn. Maar het zijn geen boeken die het fascinerende van Michelet duidelijk maken. De dagelijkse beslommeringen die Fauquet beschrijft, af en toe debunking - het maakt Michelet enigszins banaal. En de psychoanalyse van Mitzman leidt ondanks de omzichtigheid tot een uniformering die het genie geen recht doet. Michelet wordt een patient zoals vele andere. De uitgever van de laatste delen van het dagboek sprak, teleurgesteld, van 'een pathologisch geval'.

Leidt dit alles eigenlijk niet tot de conclusie dat wij teveel van Michelet weten? Zeer verschillende generaties Franse historici hebben bij Michelet inspiratie gevonden: ''Michelet, c'est le pere a nous tous.'' Wat maakt het dan eigenlijk uit dat hij als echtgenoot minder geslaagd was? Michelet heeft in ieder geval zelf de vadermoord al voorvoeld: ''Ik weet als historicus wat men kan doen met een man die manuscripten nalaat. Het is een trieste ervaring. Ik zou honderd jaar nodig hebben om te herzien en te scheiden wat de moeite waard is. God weet in welke handen deze aantekeningen kunnen vallen. Het verstandigste is alles te verbranden.''

Claire Snelder is historica en werkzaam in het kunstonderwijs. Pim den Boer is hoogleraar Europese cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam

    • Pim den Boer
    • Claire Snelder