JOODSE EN NIET-JOODSE ARBEIDERS HAND IN HAND

Van Talmud tot Statuut. Joodse arbeiders en arbeidersbewegingen in Amsterdam, Londen en Parijs, 1880-1914 door Karin Hofmeester 148 blz., Stichting beheer IISG 1990, f 29,50 ISBN 90 6861 056 2

Bij joodse arbeiders en joodse arbeidersbeweging zijn we in Nederland geneigd meteen aan de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond te denken. Wie een beetje is ingevoerd in de geschiedenis van het Nederlandse socialisme, weet dat die bond van doorslaggevende betekenis is geweest voor de Nederlandse vakbeweging. De ANDB was een vakbeweging die voor een belangrijk deel uit joodse arbeiders bestond.

Dat is uniek omdat in alle andere landen joden zich in onafhankelijke vakorganisaties hebben georganiseerd. Soms is er wel, zoals in Parijs, een poging gedaan om met niet-joden samen te strijden, maar meestal was daar geen sprake van. De verschillen tussen joden en niet-joden waren te groot.

De uitzonderlijke integratie van joodse arbeiders in de Nederlandse vakbeweging heeft de historica Karin Hofmeester ertoe gebracht te onderzoeken hoe die tot stand kwam. Haar eerste resultaten zijn te lezen in een handzaam boekje, Van Talmud tot Statuut geheten. Zij heeft daarbij de organisaties van joodse arbeiders in Amsterdam, Londen en Parijs met elkaar vergeleken. Dit in de overtuiging dat juist de vergelijking tussen de joodse arbeidersbewegingen in verschillende landen ons meer zicht kan geven op dat unieke joodse socialisme. Dergelijk onderzoek zou ook nieuw licht kunnen werpen op de belemmeringen voor de integratie van de joodse arbeidersklasse en zou ons kunnen informeren over mogelijke vijandige gevoelens tegen joden.

Het is niet de eerste poging om vergelijkenderwijs te analyseren hoe de per land verschillende positie van joden in de samenleving wordt gereflecteerd in de arbeidersbeweging. Enige jaren geleden schreef de Belgische onderzoeker Nathan Weinstock de prachtige trilogie, Le pain de misere. Histoire du mouvement ouvrier juif en Europe, waarin hij, voor zover mij bekend, de eerste poging deed het joodse socialisme in West- en Oost-Europa met elkaar te vergelijken. Weinstock behandelt daarin zowel de Russische 'Bund' als de massale participatie van de joodse arbeiders in de ANDB. Dat lijken onverenigbare organisaties, die alleen onder het hoofdstuk socialisme bij elkaar horen, want verder leken ze weinig op elkaar.

IDENTITEIT

Zo organiseerden de arbeiders van de Bund zich in een nationale joodse arbeidersorganisatie, die erop gericht was naast vakbewegingsbelang ook de eigen joodse nationale identiteit en cultuur binnen de varieteit van nationale culturen van het tsaristisch Rusland te bevorderen. De joodse diamantbewerkers kozen juist samen met hun niet-joodse collega's de jood Henri Polak als hun leider. Het cultureel ideaal van Polak was een verlicht sociaal-democratisch derivaat van de algemene Nederlandse cultuur, waarin voor het eigene van de traditionaliteit van het jodendom geen plaats was.

Weinstock slaagde er in zijn werk evenwel niet in de vraag naar het waarom van dergelijke verschillen te expliciteren, laat staan te beantwoorden. In zijn inleiding op de studie van Karin Hofmeester heeft Weinstock gewezen op de noodzaak naar het antwoord op deze vraag verder onderzoek te doen. Het werk van Weinstock maakte destijds deel uit van een opvallende golf van onderzoek naar de joodse arbeidersklasse. Het leek een inhaalmanoeuvre waarin plotseling de aandacht niet langer uitsluitend gevangen was door de massamoord op joden. Joodse geschiedenis was niet alleen de Shoah, en talrijke publikaties wezen op de grote socialistische traditie van de joodse arbeidersklasse. Daar trof men een heroisch jodendom, waarmee men zich kon identificeren. Er was tot dan toe wel een joodse geschiedschrijving geweest, maar dat was vaak een nostalgische, haast antiquarische; een dikwijls religieus getinte optekening van het verlorene. Het karakter en de aantrekkingskracht van de joodse arbeidersbeweging waren te weinig geanalyseerd.

Karin Hofmeester heeft de draad met behulp van de moderne geschiedschrijving weer opgepakt en ervoor gekozen te vergelijken. In feite belicht haar werk vooral het unieke karakter van de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond, waar 'zowel bij staking als bij de stichting van de Bond, de joodse arbeiders hand in hand met de christenen hebben gelopen'. Dat was in Londen ondenkbaar, en na de komst van immigranten uit Oost-Europa na 1905 in Parijs ook. Zij concludeert dat de houding van de omringende maatschappij de verklaring moet geven voor de mislukte integratie van de joodse arbeidersklasse in Londen en Parijs. Door de bijzondere positie van de diamantindustrie kon zich daarentegen in Amsterdam een 'arbeidersaristocratie' van joden ontwikkelen. Pas toen zij zo machtig waren dat organisatie zonder hen zinloos was, ontstond de vakbeweging, waarin hun macht vanzelfsprekend was.

Een echte verklaring voor dat andere van het Nederlandse joodse socialisme heeft de auteur evenwel niet. Zij werpt een vraag op die schreeuwt om beantwoording, en documenteert die aan de hand van een groot aantal gegevens. Daarmee wordt het boek wel informatief, maar juist door de grote hoeveelheid hooi die Karin Hofmeester op haar vork heeft genomen, blijft de lezer ook met lege handen achter. Het boek geeft ons bijvoorbeeld informatie over het ontstaan van de vakbeweging van joodse arbeiders zonder dat de schrijfster zich kennelijk ook maar een keer heeft afgevraagd hoe joods die arbeiders waren, en wat het in die tijd betekende jood te zijn. Zij beperkt zich tot de daden en geschriften van hen die de joodse arbeidersklasse besturen. Daarmee is tegelijkertijd de armoede van dit boek geschetst. De breuk met vroeger werk waarin vragen over identiteit en integratie van joden zo centraal stonden, vragen die noch op kwantificeerbare wijze, noch op basis van de officiele geschriften van de organisaties werden beantwoord - integendeel: officiele standpunten werden juist niet geloofd omdat ze officieel waren - is te absoluut. Van Talmud tot Statuut zou erbij gewonnen hebben als iets van de enorme reikwijdte en eruditie van dat voorafgaand werk bewaard was. Al was het alleen maar omdat het zoveel meer tot de verbeelding spreekt en zoveel bijdraagt aan het historisch verhaal. Het idee dat dat er minder toe doet, is intussen ook weer achterhaald.