Iedereen bewaart vergulde herinneringen aan die ...

Iedereen bewaart vergulde herinneringen aan die laatste, mooie zomer, maar ik was diep ongelukkig. Het was een verhaal zoals zovele andere verhalen: ik was verliefd geworden en mijn liefde bleef ongezien. De herinneringen zijn ook nu nog pijnlijk, vreemd genoeg misschien nog wel pijnlijker dan toen het werkelijk gebeurde. Het is een gevoel dat me tijdens het schrijven van deze herinneringen vaker overvalt; sommige gebeurtenissen lijk je pas werkelijk te beleven in je herinnering.

Ik was journalist, free-lance, zoals dat tegenwoordig heet, en ik probeerde mijn verdriet te verdrinken in werk. Ik schreef en schreef, van zes uur 's ochtends tot drie uur 's nachts. Ik schreef soms wel vier stukken op een dag, binnen een half jaar werd ik kampioen van de journalistiek. Mijn ongeremde werklust werd overigens niet echt op prijs gesteld. Redacteuren van kranten en weekbladen haalden hun wenkbrauwen op wanneer ik hun kantoren binnenstapte en namen met steeds minder enthousiasme de vellen kopij van me aan. Onze gesprekken werden steeds korter. Ik kreeg geen koffie meer aangeboden.

Het kon me niet schelen. Toentertijd wist ik niet wat me voortdreef, maar nu begrijp ik dat ik wilde vluchten in een wereld van woorden. Ik schreef over alles, literatuur, wetenschap, politiek, geen onderwerp lag buiten het bereik van mijn pen, zolang het maar niet met mezelf te maken had. De defensiewetten van minister Colijn, de verrassende overwinning van de SDAP, de kabinetscrisis, een nieuwe roman of novelle (God, wat was het in die jaren stil in de literatuur!), een doorbraak op het gebied van de varkensfokkerij, de extraparlementaire regering van Van der Linden, hier een bericht, daar een commentaar, dan opeens weer een doorwrocht artikel. Ik had mezelf opgesplitst in verschillende persoonlijkheden. Ik had meer dan dertien pseudoniemen.

Ik was het onzichtbare gezicht van de vaderlandse journalistiek. Niemand die zich vandaag nog een artikel herinnert dat ik in dat jaar publiceerde. Sterker nog, niemand die zich een jaar later nog een woord van mij voor de geest kon halen. Terwijl ik dit schrijf, heb ik de mappen met vergeelde knipsels op mijn bureau liggen. Ze staan vol dode woorden. Dat wist ik toen al, maar het interesseerde me niet; ik zocht juist vluchtigheid, ik wilde opgaan in de kwesties van de dag, ik wilde mezelf vergeten. Toen al die kwesties eenmaal in rook waren opgegaan, was ook mijn verstikkende ongeluk nagenoeg verdwenen; ik kon weer ademhalen. Met ieder artikel over de Bakkerswet en de Steenhouwerswet werd de pijn minder.

Al die artikelen, al die meningen en gedachten, al die honderdduizenden woorden, natuurlijk is het allemaal verspilde energie gebleken, maar je zou kunnen zeggen dat ik ook toen al de tijd weerspiegelde waarin ik leefde. Het waren jaren van verbaal tumult en ongerichte dadendrang, jaren van discussies over discussies, van politieke afspraken over politieke afspraken, van verdragen over verdragen. Iedereen stortte zich vol overgave op muizenkwesties, men verloor zich zonder het zelf te willen in een moeras van details.

Niemand die het geheel meer overzag, niemand die achter de waan van de dag het spookbeeld van de geschiedenis zag opdoemen. Later viel het gemakkelijk samen te vatten. Romantische cultuurcritici hadden er geen moeite mee: Europa verkeerde in de greep van een allesomvattende doodsdrift. Maar het is een etiket dat niet op mijn herinneringen past. Het klinkt me veel te dramatisch. Dat trefwoord gaat voorbij aan de bureaucratische werkelijkheid van die dagen; de eindeloze debatten, de opgeblazen kranteretoriek over onbeduidende zaken, de vermoeiende verdachtmakingen, de eindeloze, ingewikkelde speculaties. Als we lemmingen waren, dan waren we lemmingen die tijdens hun tocht naar de rand van de afgrond steeds weer abrupt halt hielden om te overleggen en de koers opnieuw uit te stippelen.

En omdat we niet wisten wat we deden, was er ook optimisme, een grenzeloos, ongeoorloofd, absurd optimisme. In januari van dat jaar verklaarde de minister-president van Engeland, Lloyd George: “Never has the sky been more perfectly blue.” Ik weet nog hoe ik die zin overnam in een van mijn artikelen voor Het Vaderland (dat, als het goed is, zich vergeeld en vergeten in een map moet bevinden) en het als een perfecte afspiegeling van mijn gemoedstoestand beschouwde; ik keek naar buiten door het raam van het redactielokaal en hoewel de lucht betrokken was zag ook ik een stralend blauwe hemel. Want we wisten niet wat we deden, we konden onszelf niet goed zien.

Terugkijkend lijkt het onvoorstelbaar, maar we hadden nog maar net een onderbewustzijn.

Het was de vader van dat onderbewustzijn die de situatie voor mij onder woorden bracht. Aan het begin van de eeuw had hij in zijn Psychopathologie des Alltagslebens geschreven over een vreemd verschijnsel in het huishouden van de familie Freud: er werd enkele weken lang steeds maar van alles gebroken. Glazen, borden, enzovoort.

Ook Freud zelf liet voortdurend iets uit zijn handen vallen. Na verloop van tijd kwam hij zelf met de verklaring; het had te maken met het aanstaande huwelijk van zijn oudste dochter. In die dagen was het in Oostenrijk gewoonte om tijdens het huwelijksfeest servies kapot te gooien en je gelukwensen uit te spreken; met hun huishoudelijke ongelukjes liepen de Freuds daar onbewust op vooruit.

Een onschuldige verklaring, tenzij ik modern en cynisch wil zijn en Freuds onhandigheid wil uitleggen als een onbewuste angst voor het huwelijk van zijn dochter, met alle incestueuze gevolgtrekkingen van dien. Ons bewustzijn voedt ons onderbewustzijn, en andersom; achter iedere verklaring zien we tegenwoordig nog een andere verklaring. Hoe dan ook, Freud wist dat niet alle ongelukjes eenzelfde onbewuste motivatie hadden.

In het Europa van 1914 klonk onder een felblauwe lucht voortdurend het geluid van brekend vaatwerk. Relletjes, sluipmoorden, politieke schandalen, diplomatieke geschillen, er gebeurde iedere dag wel iets.

Op alle redacties waar ik in die tijd kwam, heerste een soort nerveuze spanning. Tegelijkertijd kon je zeggen dat er eigenlijk niet echt iets gebeurde. Ik schreef eigenhandig hele kranten vol, maar hoewel in de meeste berichten de woorden 'oorlog' en 'vrede' voorkwamen, zag ook ik geen naderende catastrofe.

Eerlijk gezegd bevond de enige onrust die ik voelde, zich binnenin mijzelf. Schrijven alleen hielp niet. Ik besloot een tijdje uit Nederland weg te gaan. Met verschillende kranten sprak ik af reportages te schrijven. Met de redactie van Het Vaderland kwam ik overeen een serie artikelen te schrijven over het Servische onafhankelijkheidsstreven, een van die zeurende kwesties die voortdurend op de binnenpagina's opdoken, terwijl niemand er werkelijk een idee van had waar het nu eigenlijk over ging.

Ik was niet goed voorbereid. Ik had wat oude artikelen gelezen, ik droeg een paar introductiebrieven bij me, ik kende een paar buitenlandse correspondenten ter plaatse, maar de Serviers interesseerden me niet. Ik wilde weg, dat was alles.

Ik reisde per trein naar Wenen, waar ik uitgebreid dineerde met een collega-journalist en een luxueus bordeel bezocht. Ik herinner me goede champagne en een meisje met grote, zwarte ogen en kleine borsten. De volgende ochtend nam ik moe en katterig een trein naar het zuiden. In de nacht van 24 op 25 juni kwam ik in Serajewo aan.